False Focus – Saskia Monshouwer

 Posted by Rune on 16/07/2011
Jul 162011
 

Dat het objectieve bestaan van
de dingen veronderstelt dat er iemand
is die zich een voorstelling maakt,
waaruit volgt dat de objectieve wereld
alleen als voorstelling bestaat, is
geen hypothese, nog minder een
machtsspreuk en zelfs geen paradox
die omwille van een dispuut wordt
opgeworpen; maar de zekerste en
allereenvoudigste waarheid. […]

Zo leidt ook dit tot het inzicht,
dat bijgevolg ruimte en tijd waar de
mogelijkheid van alle veelheid op
berust, alleen maar vormen van onze
beschouwing zijn. 1

Arthur Schopenhauer, Die Welt als Wille und Vorstellung (1819)

 

Rune Peitersen, Observer Effect: A Tree in the Forest, 2011

False Focus

Saskia Monshouwer

Met het voorgaande citaat van Schopenhauer val ik bestaat – de suggestie dat ook ruimte en tijd relatieve met de deur in huis. De elegante formulering kan namelijk beschouwd worden als de voorloper van een hedendaagse twijfel. Immers, als de wereld zoals Schopenhauer beweert, werkelijk alleen als voorstelling concepten zijn, geeft de reikwijdte van zijn opmerking aan – hoe kan je dan betrouwbare wetenschappelijke kennis verwerven? Kennis die altijd en voor iedereen geldt, die mogelijk kan cumuleren? Als feiten altijd vanuit een zeker perspectief worden waargenomen, is dan niet alles relatief? Met andere woorden, is onze kennis wel betrouwbaar? Het lijkt een onoplosbare tegenstelling, terwijl we in praktijk beide opties naast elkaar hanteren.

Dat ik de subjectieve voorstelling tegenover de objectieve kennis stel, betekent niet dat ik scherp wil slijpen. Ik heb Schopenhauer niet uitvoerig bestudeerd en hoewel ik ooit antropologie studeerde, ben ik geen wetenschapper met een bijzondere specialisatie. Ik heb me hoofdzakelijk met de praktijk van de beeldende kunst uiteengezet. Dat ik de tegenoverstelling toch gebruik, komt omdat deze naar mijn idee recht doet aan een trend. Het lijkt alsof dit contrast de achtergrond vormt van diverse polemieken. Bij veel van deze vraag- en antwoordspelen staat de postmoderne twijfel aan de ene en een sterk vertrouwen in een wetenschappelijk determinisme aan de andere kant.

Een extreme variant van het wetenschappelijk determinisme werd zeer recent in een artikel in de Volkskrant vermeld. De oud-diplomaat Peter van Walsum beschreef de ‘demon van Laplace’ als volgt: “De Franse mathematicus en astronoom Pierre-Simon Laplace heeft in 1814 geschreven dat wij ons de huidige staat van het heelal moeten voorstellen als het gevolg van zijn eerdere staat en de oorzaak van de staat die erop zal volgen. Een intellect dat op een gegeven moment alle krachten waarvan de natuur bezield is en de positie van elk der wezens die er deel vanuit maken zou kennen, en dat voorts immens genoeg was om al die gegevens aan een analyse te onderwerpen, zou in een en dezelfde formule de bewegingen van de grootse hemellichamen en die van het lichtste atoom omvatten: niets zou voor dat intellect onzeker zijn, en de toekomst zou zich even duidelijk voor zijn ogen openen als het verleden.”2 Misschien heeft de wetenschap nog wel een paar miljard jaar nodig om dit resultaat te bereiken, voer hij voort, toch ben ik mijn geloof in deze visie nooit helemaal kwijt geraakt.

Zoals al eerder opgemerkt, haal ik de standpunten niet aan om te beantwoorden wie volgens mij gelijk heeft. Het gaat hier enkel over de vraag, waarom die tegenstelling zich op dit moment zo prominent voordoet. En in eerste instantie is het antwoord op die vraag eenvoudig: in de afgelopen jaren is de kennis op allerlei wetenschappelijke terreinen met sprongen toegenomen. Wat overigens onmiddellijk in de richting van het probleem voert, want het gaat niet over een nieuw inzicht in één mogelijk principe maar om grote en kleine ontdekkingen op velerlei gebied. Je kunt dan denken aan de statistiek, aan kansberekening en logaritmen, aan de resultaten van sociologisch en medisch empirisch en statistisch onderzoek en aan biologische kennis, aan chemie en kennis van het brein. Kortom te veel om op te noemen.

Met die kennis verschuiven de categorieën en een mogelijke reden voor de scherpe tweedeling is, dat alles in de publiciteit zo ingedeeld heel helder en inzichtelijk lijkt. Aan de ene kant de harde kennis van de bètawetenschap. Je kunt dan aan van alles denken, maar vooral het brein is populair. ‘De Vrije Wil bestaat niet’, schreef Victor Lamme. ‘We zijn ons Brein’, beweert Dick Swaab. Hun werk werd uitzonderlijk goed verkocht en overal in de media besproken. Hoewel de volkse fascinatie voor het brein waarschijnlijk zeer oprecht is, is er toch ook sprake van een zekere hijgerigheid. Zou het mogelijk zijn om de mens van buitenaf volledig te sturen? De alfastudies dienen hen van repliek. Zij hebben de postmoderne filosofie van de vorige eeuw als basis. Mede door haar aandacht voor de nieuwe inzichten die de psychologie verwierf, kon deze traditie de rationaliteit van de Verlichting in een ander daglicht stellen. De hele lange rij wordt tot op heden intensief bestudeerd van Bergson tot Bataille, van de surrealisten tot Sartre, Lacan, Althusser en Foucault, waarmee ik in volgorde de hoofdstukken volg van ‘Downcast Eyes’, een analyse die Martin Jay in 1994 publiceerde en waarin hij de afkeer van het oog en de blik in het werk van de Franse filosofie centraal stelde.3

Maar naast boeken over uitersten verschijnen ook veel teksten waarin naar een samenhang wordt gezocht. Meerdere wetenschappers proberen de relatie tussen de verschillende kennisgebieden opnieuw te formuleren en de onderlinge verhouding tussen verschillende wetenschapsterreinen bij te stellen. Zij willen de nieuwe kennis in de bestaande integreren. Zo werkte de Belgische moraalfilosoof Jan Verplaetse vijftien jaar lang aan een boek dat in 2008 onder de titel ‘Het morele instinct’ verscheen. In vijf hoofdstukken die corresponderen met vijf verschillende wetenschapsgebieden probeert hij aan te tonen dat het morele vermogen van mensen biologisch verankerd is. Hij overdenkt de maatschappelijke consequenties. Een ander voorbeeld is ‘Out of our heads, Why you are not your brain, and other lessons from the biology of consciousness’ uit 2009 van de Amerikaanse wetenschapper en filosoof Alva Noë die zich aan een nieuwe visie op het bewustzijn waagt. En hier begint mijn beschrijving van het werk en gedachtegoed van Rune Peitersen die zich bezighoudt met kennis, kunst en zien.

Rune Peitersen is beeldend kunstenaar en al enkele jaren actief op het terrein van de filosofie en de wetenschap. Hij verbindt zijn nieuwsgierigheid naar nieuwe kennis met onderzoeken naar waarneming en zien. Vanuit dit startpunt maakt hij kunst, meestal foto’s. Zijn activiteiten bieden een goede gelegenheid om enkele nieuwe artistieke en wetenschappelijke ideeën over denken en zien te vergelijken. Ik bespreek drie aspecten van zijn werk in min of meer chronologische volgorde. Als eerste beschrijf ik zijn fotowerk ‘Saccadic Sightings’. Dan besteed ik aandacht aan de vragen die tijdens het mini-symposium ‘Saccadic Sightings; Einstein en Bohr’ ter sprake kwamen. Deze bijeenkomst werd in 2010 in galerie Ellen de Bruijne Projects gehouden. Tot slot beschrijf ik het onderhavige project van Rune, de tentoonstelling ‘False Focus’ in NEST. Samen met Eelco van der Lingen koos hij een aantal kunstenaars uit waarmee hij zich verwant voelt. Zodoende worden zijn werk en ideeën in een context geplaatst.

 

Saccadic Sightings: de fotowerken

Rune Peitersen startte ‘Saccadic Sightings’ in 2007 met de vraag: als ik door andermans ogen kijk zou ik dan hetzelfde zien? Daarmee plaatste hij zichzelf in een lange traditie van twijfel en specifieke opvattingen over wetenschap en zien. Descartes die sterk aan de waarneming twijfelde, wees het vermogen om te denken als vast uitgangspunt aan. Peitersen hoopte waarschijnlijk om via daadwerkelijk onderzoek een postmoderne veronderstelling na te kunnen gaan. Want de twijfel die hij in zijn vraag tot uitdrukking bracht had waarschijnlijk meer te maken met het relativistische perspectief dat de meeste Franse filosofen delen. Mensen zien en ervaren de dingen altijd door een culturele bril. Dat geldt voor de wetenschap en de geschiedwetenschappen. Zo komt het citaat van Schopenhauer uit ‘Een Nieuwe Wereld, Het ontstaan van het Moderne Nederland’ van Auke van der Woud. Hij laat aan de hand van wetenschappelijke artikelen uit die periode zien hoe de ervaring van tijd en ruimte in de 19e eeuw veranderde ten opzichte van eerdere perioden4. Peitersen zocht contact met het Arts and Genomics Centre in Leiden, een instituut dat projecten ondersteunt op het raakvlak tussen wetenschap en kunst, en verdiepte zich in de kennis over de werking van het oog. Voor zijn fotowerken maakte hij gebruik van een bijzondere camera, een zogenaamd mobile eye die saccadic eye movements volgt en registreert, de snelle bewegingen waarmee het oog een omgeving aftast. Hoewel wij die bewegingen voortdurend maken, merken wij hier niets van. Peitersen maakte een aantal films met proefpersonen die door het Vondelpark fietsen en de camera droegen. Dit leverde het basismateriaal voor een aantal werken.

De serie kleine fotowerken is vrij donker. Het oppervlak lijkt door meerdere kleine cirkels doorsneden. Zij bieden een doorblik op enkele vage beelden en fragmenten waarin je het park herkent, een stukje grindpad, een boom, een prullenbak en zo nu en dan een mens. Het fotopapier glanst en de herhaling van de beelden, het gegeven dat het een serie is, suggereert een tijdsverloop. Ik associeer de werken met trial and error en denk aan experiment. Andere foto’s zijn veel groter en bieden de suggestie van één enkel beeld. Op het werk dat tijdens het minisymposium bij Ellen de Bruijne Projects hing, zie je wat wazig de pilaren van een brug. Zij zijn op een vreemde manier gekromd. Op de voorgrond staat een betonnen boom. Tegen de achtergrond zie je hoogbouw. Omdat deze foto meer referenties aan de omgeving biedt dan de kleine donkere werken, denk je meteen aan de stad. De combinatie boom en beton versterkt dit gegeven.

Tot zover een beschrijving van het maakproces en de eerste indrukken die de foto’s oproepen, want hoewel het werk tamelijk helder lijkt, toch is er sprake van vragen en mogelijk van paradoxen waar het de relatie van werk en beeld met de werkelijkheid betreft. De beelden verwijzen immers naar verschillende zaken, naar kennis over het proces van kijken, naar iets wat een proefpersoon waarnam maar niet werkelijk zag, en mogelijk naar een combinatie van verschillende zintuiglijke indrukken.
“Het is bekend dat tijdens het proces van het zien meerdere en zeer verschillende hersengebieden actief zijn”, lees ik bij Noë: “en het is te verwachten dat het hoofd, het lichaam en de hersens samenwerken. Hoe het brein dit werkelijk doet is echter vooralsnog een vraag. Er is sprake van een ‘explanatory gap’”5. Maar, of Peitersen ook uitdrukt wat zich in het hoofd van de ander afspeelt is de vraag.

 

Saccadic Sightings, Einstein en Bohr: de vragen

Peitersen presenteert verschillende plaatjes en die bestaan niet in ons hoofd. Hij componeert en suggereert – Saccadic eye movements bestaan, ‘Saccadic Sightings’ niet – en met de verwijzing naar betekenissen en suggesties bereik je de spannende grens tussen weten en fantaseren, kennen en creëren, tussen kunst en wetenschap. Want prikkels van buitenaf alleen zijn niet voldoende. Hoewel Pavlov iets bijzonders beschreef toen hij de naar hem genoemde reactie testte, verklaart een behaviouristische benadering van dieren en mensen slechts een deel van hun gedrag. En, hoewel beelden erg belangrijk zijn, en mensen plaatjes zien en onthouden is het Cartesiaans materialisme gebaseerd op de veronderstelling dat wij denken via opgeslagen plaatjes in ons brein voor de meeste mensen achterhaald.
Maar hoe werkt de waarneming dan wel, en hoe ligt de verbinding tussen de prikkels van buiten en de verwerking van die prikkels, de perceptie, binnen? In de afgelopen jaren bleek dat de grens tussen denken en waarnemen, binnen en buiten veel minder hard is dan gedacht. Dat is een wezenlijk punt dat zowel tot merkwaardige speculaties als tot harde kennis leidt. In ‘Out of our heads’ probeert Alva Noë te laten zien hoe je over het bewustzijn na zou kunnen denken, wanneer je de harde scheiding tussen Brein en denken aan de ene kant en ervaringen en prikkels aan de andere kant verlaat. “Consciousness of the world around us, is something that we do: we enact it with the worlds help, in our dynamic living activities. It is not something that happens in us. It is a dance that involves in the world and with others.”6

Noë is een interessante figuur. Zijn denken is fantasievol en hoewel hij lyrisch schrijft benadrukt hij dat zijn opmerkingen niet romantisch bedoeld zijn. Hij analyseert de mogelijkheden van de waarneming en de perceptie als een totaliteit en weekt het bewustzijn los van het brein om het in een brede context te plaatsen, namelijk de wereld waarin wij leven. Hoewel dat ingewikkeld lijkt, kan je aan een heel banaal voorbeeld laten zien wat de noodzaak van die formulering is, namelijk de supermarkt. Zij is in zeker opzicht de jungle van deze tijd waar wij ons dagelijks voedsel scoren en tot op zekere hoogte thuis zijn. Het is niet vreemd dat hier onderzoek werd gedaan met de mobile eye en ook Victor Lamme blijkt zich op commerciële toepassingen van de hersenscan te richten. De kennis van die onderzoeken is gericht op mogelijke manipulatie. Maar uit het gegeven dat de supermarkten het hier niet bij laten kan blijken dat de context breder is, en veel meer zaken een rol spelen bij onze beslissingen dan de directe prikkels en oriëntatie alleen, want de supermarkt gaat verder. Ook thuis via de media en op straat wordt onze koopervaring gestimuleerd. Kom naar binnen, de glazen deuren openen vanzelf. Slimmer, mooier als we naar de reclames luisteren en kijken, gezonder en verstandiger als we ook de overheidsreclames en de Sire spotjes meenemen. Een koopervaring is totaal!

Waar Noë eigenlijk zeer concreet is en de interactie tussen binnen en buiten, input en verwerking in het brein analyseert, gaat Peitersen nog een stap verder. Hoewel ik met de beschrijving van dit aspect van zijn gedachten ver van het onderwerp ‘zien’ vandaan ga, is zij belangrijk omdat hier de twijfel waar dit stuk mee begon weer expliciet op de voorgrond treedt. Niet ondanks maar dankzij Peitersens wil om de nieuwe objectieve kennis met een subjectieve inbreng te verenigen. Peitersen stelt eerst dat lichaam en brein een geheel zijn, geen ‘Being John Malkovich’ om in zijn woorden te spreken. Dan, met een verwijzing naar de kwantummechanica en Bohr stelt hij dat gedachten, zoals deze in kunst zijn ondergebracht ook al was het op moleculair niveau, één zijn met de wereld.

 

False Focus: de expositie in NEST

Uit de voorgaande beschrijvingen van het werk en de gedachten van Rune Peitersen blijkt dat kunst en wetenschap wat onderwerpen en kennis betreft informatie aan elkaar ontlenen, maar niet gelijk opgaan. Ook hier is Noë een goed voorbeeld. Het is geen wonder dat kunstenaars zich graag met zijn werk associëren, vanwege zijn vergelijking met de dans, vanwege zijn bijzondere nadruk op het zien en vanwege de mogelijkheid om het symbolische in te lassen. En er is een tweede reden dat de kunst zich graag op de nieuwe wetenschappelijke kennis richt. Zoals eerder al aangegeven kan je in de Franse filosofie een teneur aanwijzen, die belangrijke positie van het zien in het westen ondermijnt. In de zoektocht naar de relatie tussen externe prikkels en interne verwerking, spelen de andere zintuigen ook een rol: zo kan een kunstenaar die uitgaat van de theorieën van Bergson zonder moeite ook aan wetenschappelijke kennis refereren. Dan is er nog een derde factor die buiten de wetenschap omgaat. Ook de kunsthistorie zelf bevat indicaties die een liaison met de nieuwe kennis mogelijk maken. Verschillende moderne stromingen, waaronder de geometrisch abstracte kunst, zijn bij uitstek gericht op ruimtelijke oriëntatie en beleving. En door de analyse van het bedrog op het platte vlak werd de aandacht voor andere meer tactiele vormen van oppervlakte behandelingen zoals structuren, contrasten, kleuren en materie groter. In dat opzicht gaat ‘False Focus’ over een aantal heel verschillende thema’s.

De term ‘False Focus’ staat voor de fotografie en de optische vertekeningen die een camera eigen zijn. Het gaat ook over de metafoor waarbij het oog met een camera vergeleken wordt. Dan kan ‘false focus’ duiden op de vertekeningen van het natuurlijke oog, het optische bedrog of wat we niet kunnen zien, zoals de blinde vlek. Maar ‘False Focus’ gaat vooral over de vertekeningen die de huidige discussies met zich meebrengen. Samen met Gwenneth Boelens, Beate Gutschow, Marc Philip van Kempen, Michiel Kluiters, Erik Olofsen, Bradley Pitts, Roland Schimmel en Melanie Wiora schept Rune Peitersen ruimte voor een breed spectrum aan ideeën over wetenschap, over zien, perceptie en beeldende kunst. Het aardige is dat met deze diversiteit een aantekening gemaakt wordt. Het is nog steeds in onderzoek en je kunt het ook allemaal anders zien, maar de teneur, dat tegenstellingen verenigd en dichotomieën met argwaan benaderd moeten worden is bij alle deelnemende kunstenaars waar te nemen.

Zij gaan ver met hun gedachten, wat waarschijnlijk niet altijd even wetenschappelijk is en vaak het terrein van fantasieën en verlangens bestrijkt, maar dit is waarschijnlijk precies waar kunstenaars voor staan. En in dit opzicht denk ik ook dat kunst tussen wetenschap en samenleving bemiddelen kan. Zoals Louise Fresco, hoogleraar duurzaamheid aan de UvA in Amsterdam, het tijdens de Kohnstammlezing 2011 formuleerde; (…) “Juist de kunst verkent de dubbelzinnigheid van emoties, de tegenstrijdigheid van morele stellingnames. De kunst doorbreekt daarmee de simpele dichotomie tussen pessimisme en optimisme. Want het blijven steken in het feitenloos pessimisme ontkent datgene dat het meest wezenlijke is voor de menselijke vooruitgang: het kunnen leren van onze fouten.”7



[1] De Duitse tekst luidt:

“Daß das objektive Daseyn der Dinge bedingt sei durch ein sich Vorstellendes, und folglich die objektive Welt nur als Vorstellung Existiere, ist keine Hypothese, noch weniger ein Machtspruch, oder gar ein Disputierens halber  ufgestelltes Paradoxen; sonders es ist die gewisseste und einfachste Wahrheit.

[…] So leitet auch diesen uns auf die Einsicht hin, daß mithin Raum und  Zeit, auf welchen die Möglichkeit aller Vielheit beruht, bloße Formen unsere Anschauung sind“

[2] Peter van Walsum, Vrije wil valt niet te bewijzen of te weerleggen, in: De Volkskrant, 26 maart 2011, p.32

 

[3] Martin Jay, Downcast Eyes: the degeneration of vision in twentiethcentury French thought, University of California Press, 1994

[4]  Auke van der Woud, Een Nieuwe Wereld, het ontstaan van het moderne Nederland, Uitgeverij Bert Bakker, 2010, p. 21

 

[5] Alva Noë, Out of Our Heads, Why you are not your brain and other lessons from the biology of consciousness, Hill and Wang, New York, 2009, p. 53

[6] Alva Noë, Out of Our Heads, Why you are not your brain and other lessons from the biology of consciousness, Hill

and Wang, New York, 2009, p. viii

[7]  Emotie is verworden tot bron van Kennis, Louise Fresco, een samenvatting van de Kohnstammlezing 2011, in: De Volkskrant, 28 maart 2011

 

 

By Vesna Madzoski on Wednesday, September 8th, 2010 at 12:00 pm.

This text was first published on Rhizome.org: http://rhizome.org/editorial/3750

Observing Uncertainty: Underpass, Installation view

 

If our eyes were to be turned into a camera, it would be a rather poor device. More precisely, it would not resemble a single-frame snapshot camera, but a video stream of a mostly blurred visual field with only spots of clarity. Our eyes move rapidly and continuously update the image in the brain, and it has been concluded that the brain, resembling a high-tech processor, cleans up the received input. Paradoxically, one of the functions of photography is to remind us of the impossibility of our eyes to perceive reality as a still image – as the saccadic scanning of our eyes show, there is nothing fixed or stable in nature. Matter is always in flux.

In his artistic practice, Rune Peitersen explores precisely this aspect of the visual apparatus through a research project he started two years ago. This summer, he presented the most recent series of his results in Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam, in a show entitled “Saccadic Sightings: Einstein and Bohr.” In a secluded room, one was able to indulge in the three main elements of the show: a short text on Einstein and Bohr, Observing Uncertainty – an enigmatic large photograph of a hallucinatory scene covered with a map of small printed squares, accompanied by Observer Effect – a series of smaller black photographs with dots of visual clarity representing each of the square from the large photograph.

 

Observing Uncertainty: Underpass, 200x150 cm, inkjet on paper, 2010

 

Observer Effect #Underpass Sequence, 60 Lightjet photos, 2010

Observer Effect - White Dress (working title) #photo9, 40 seconds per photo, 2010

Peitersen’s work stems from his desire to investigate how it feels to see the world through somebody else’s eyes. In Peitersen’s words,

If I could construct a device to record the view in front of me, a miniature camera I could wear without noticing, and if I could simultaneously track the movement of my eyes, then I would be able to calculate the direction of my gaze and project it onto my recorded scene-view. If I then meticulously constructed a video filter, according to the latest scientific research on how my eyes receive visual stimuli, and applied this to the scene-recording, then I would be able to see what my eyes had seen before my brain had interpreted the input. This way, I would see the world as it really is, pure and unobscured by neurological filters. And if I asked someone else to wear the device, I would be looking through their eyes. I would be seeing the world as they saw it, for a brief while we’d share the same visual reality, the same vision. That is, if there would be anything to see at all…

These questions led Peitersen to the discovery of the Mobile Eye, a device normally used in scientific research in order to track the human gaze and decipher visual impulses imperceptible due to the power of the brain to erase visual ‘noise’. Peitersen used this tool to record his eye movements in various situations, from a simple visit to the park or a stroll around the building to more intimate settings, like his bedroom. The result were videos of uncanny beauty, in green-gray colors, resembling more a recording of somebody’s nightmare experience than the record of a full-colored reality as we normally see it. The first series of photographs entitled Homunculus (2009) was Peitersen’s first step in working with the visual results. Here, the green-gray images of the scenes recorded while wearing Mobile Eye are overlapped by an image of the all-observing eye. In naming his first series “Homunculus” – a term used in scientific research to designate “the little man inside the brain” – we can read Peitersen’s desire not to stop at that point of investigation, seduced by the hallucinatory nature of the images. Instead, he had decided to continue further with questioning the contemporary definitions of how this little man sees and how this interpretation is shaped by the culture.

Homunculus, 2009

The following step was to ask somebody else to wear the device and to use scientific methods to reconstruct the visual perception of the other. This video material was first presented in Amsterdam in a show entitled “Saccadic Sightings: Ophelia” in 2009, accompanied by photographs of the same visuals. In the single-channel video projected in a dark room, a viewer was confronted with the uncanny feeling that stems from the sensation of entering someone’s intimate world. In this work, one becomes a woman who runs through the fields, picks flowers, lets them float in a nearby spring, and then abruptly wakes up at the end of this dream-like sequence.

Ophelia, 2009

Peitersen’s attempts to translate and understand somebody else’s experience of reality brought him to science. What seemed to be the most striking revelation to him was that the quantum revolution, although it transformed the science of physics and had major practical implications on technology, did not manage to disturb Cartesian definitions of how we perceive reality in our everyday lives. In other words, we are still trapped in the world of Newtonian physics and never made the step towards truly understanding and integrating Einstein’s postulates. This striking revelation seems to have prompted his questions even further into the direction of how an artist, assuming that art has the power to change the way in which we perceive the world, can help this revolution take place on the level of the visual. Is there a real power in art of doing so, or are we led into yet another deception of the mind?

Peitersen turns to history to help address this question. The story about the close friendship between Einstein and Bohr, and their contradictory positions on material reality, is the theme underlining Peitersen’s show “Saccadic Sightings: Einstein and Bohr.” Einstein’s revolutionary discovery from the beginning of the twentieth century indirectly proved the non-existence of objective material reality; nevertheless, he had spent most of his late years trying to prove he was wrong. From his side, Bohr had embraced and deepened new discoveries in the sub-atom field, sketching the theory that solidified reality exists only through the eyes of the observer. In spite of this, what we witness in the decades that followed was the growth of the Cartesian division and supremacy of the brain, following the supremacy of the eye stimulated by the media. The remaining question is if this cultural training of sensory segregation actually erases the possibility of not only a true perception of reality, but also of the possibility to tune into somebody else’s world view. In Peitersen’s last show, the uncertainty of one’s perception and the particular reconstruction of the reality in the eye of the beholder reveals accordance with Einstein’s and Bohr’s early findings, prompting us to revision what we thought of vision in the first place. Hence, Observing Uncertainty reveals the ungraspable nature of observed reality, while the Observer Effect further translates the effect a beholder has on the observed. In both works, our vision appears to be out of control, where the final image resembles more a dark square disturbed by small fields of clear and focused vision. The rest is being reconstructed and re-imagined by the brain, a powerful machine that decides what we actually see in the end. The mode of viewing elaborated by these works uncovers how we are locked within the safety of Cartesian division and illusion of the brain’s mastery over matter. In order to see or feel like others do, we will perhaps have to turn to the undisciplined, uncivilized segments of our senses. If our mind has a problem of understanding the transformed reality after Einstein and Bohr, maybe we should look for the help of other senses in helping us to truly perceive this. Nevertheless, what we should always have in mind is that the moment we think we got it all, it is already gone. And the “Saccadic Sighting” is there to point this out.

Vesna Madzoski is an Amsterdam-based freelance researcher and curator. At the moment, she is working on the last part of her PhD project at the European Graduate School. The project focuses on the transformations in the field of contemporary art after the World War II in relation to the crisis in anthropology and the representation of the Other. For more details please see: http://madzoski.synthasite.com

 

Read the rest here: link or here: http://rhizome.org/editorial/3750

To read more of Vesna Madzoski’s writings, please visit her website: http://madzoski.synthasite.com/

Oct 162009
 

Divided Landscape

Aan de onderste rand van een dieprood beeld doemt voorzichtig de façade van een gebouw op. We zien nog net twee oplichtende lantaarnpalen die ervoor staan. De rode kleur doordringt het geheel en vormt een sluier die een flard van de situatie prijsgeeft, maar het zicht op de rest ontneemt. Het blijft onduidelijk waar we naar kijken, onze natuurlijke neiging om het getoonde te identificeren wordt doeltreffend gestoord.
Het beeld is onderdeel van het werk Airport Select en in andere foto’s in de serie zijn opslagtanks voor olie te onderscheiden, een geopend laadluik van een vliegtuig, en operaties die zich in verband laten brengen met de logistiek op een luchthaven. Als geheel roept de reeks associaties op met beelden zoals die in de afgelopen jaren in de media hebben gefigureerd bij berichtgeving over dreigende terroristische acties en verscherpte veiligheidsmaatregelen. Deze beelden zijn onscherp en allemaal verzadigd van die dieprode kleur die afkomstig is van het flitslicht van de camera van Carolien Stikker, dat zij op haar hand liet terugkaatsen. Het schermt af en brengt een distantie teweeg tussen het beeld en de realiteit waarvan het de sporen draagt.
Het werk van Stikker is wel omschreven als ‘An investigation of photography as an indexical trace’, een omschrijving die de aanwijzende kwaliteit van de fotografie ter discussie stelt, en wijst op Stikker’s voortgaande onderzoek naar de verschillende relaties die een beeld kan aangaan met de werkelijkheid waaraan het ontleend is. Aan vrijwel al haar werk ligt de vraag ten grondslag hoe we dingen om ons heen waarnemen en in hoeverre het waargenomene zich laat representeren. Airport Select toont flarden van de actualiteit in beelden die in de basis realistisch zijn en stevig verbonden met de werkelijkheid die ze tot onderwerp nemen. Tegelijkertijd zijn ze versluierd – soms tot in het abstracte – en vormen een onwerkelijke en reflectieve wereld in zichzelf.

Naar aanleiding van de tentoonstelling bij Gist heeft Carolien Stikker ervoor gekozen om nieuw werk te tonen in relatie tot dat van een viertal kunstenaars met wie zij zich verwant voelt. Airport Select hangt hier in de nabijheid van Burning Mororcycle (2002) van Thomas Zummer, een tekening – naar een foto – van een brandende motor. De achtergrond is onbestemd gelaten en het is niet uit te maken of het een ongeluk betreft, een oorlogssituatie of wellicht iets onschuldigs als een ritueel. De wisselwerking tussen het indringende beeld en de verleidelijke poederachtige materialiteit ervan biedt geen uitsluitsel. Binnen de context die de werken van Stikker en Zummer elkaar onderling verschaffen, wordt in beide gevallen de sluimerende dreiging versterkt.

Een andere tekening van Zummer heeft als titel: Drawing of a Section of a Printout of a Digital Capture of an  Interpolated Frame of a Film, 1929: Vertov / (Mise-en-abyme) (2000). De titel benadrukt de afstand van het werk tot de bron ervan, een scene uit Dziga Vertov’s beroemde film The Man with a Movie Camera.1 In de betreffende scene toont Vertov een bioscoopzaal. Zijn camera zoomt in op de film die daar wordt vertoont en verdwijnt er als het ware in. Het ‘mise-en-abyme’ in de titel verwijst naar zo’n eindeloze duplicering van een beeld in een beeld, dat zich hier manifesteert in een film in een film.

Ook in relatie tot de tentoonstelling alsgeheel is Dziga Vertov (1896-1954) een mooie referentie. Als pionier van de (Russische) documentaire film kreeg Vertov naast zijn films bekendheid met zijn essays. Hij had een grenzeloos vertrouwen in de camera als ‘onschuldig’ instrument – dat veel beter dan het menselijk oog in staat zou zijn om het ware leven te exploreren, vrij van ‘fouten’ en esthetische overwegingen. Vertov stond een feitelijke vorm van film voor die – zonder in te grijpen – in staat zou zijn om het dagelijks leven op terloopse wijze ‘te betrappen’.

Een dergelijke objectiverende inzet had Rune Peitersen toen hij in 2008 aan Saccadic Sightings begon, een onderzoek naar de waarneming middels eye-tracking. Met een aan de wetenschap ontleend instrument, Mobile Eye, maakte hij video-opnamen van zijn eigen blik. Mobil Eye filmt het blikveld en legt tegelijkertijd de weg vast die het oog daarbinnen aflegt. Peitersen was geïnteresseerd in de visuele input via de retina, voordat die in de hersenen wordt verwerkt tot ervaringen en betekenis wordt toegekend. Een achterliggende gedachte van zijn onderzoek was het Uncertainty Principle, de vraag of er iets bestaat als een wereld buiten onze waarneming ervan. Inmiddels staat hij zichzelf meer vrijheid toe ten aanzien van de onderzoeksresultaten en heeft hij de opnamen van zijn blikveld en kijkgedrag bewerkt. In de beelden die hij hier toont onder de titel Observing Uncertainty, blijft de dubbele registratie zichtbaar maar wordt ook ambiguïteit toegelaten. In het over elkaar heen leggen van een eye-tracking en een videostill ontstaat de suggestie van een tijdsspanne die het vastgelegde moment overstijgt. En duidelijk ook die van een onzichtbare toeschouwer. Filmische opeenvolging blijft achterwege, maar de spanning die van dit beeld uitgaat komt even zozeer voort uit dat ongeziene ‘voor’ en ‘na’.

Het aanwijzende karakter en de aanspraak op de werkelijkheid – zoals Vertov die voorstond en die ook speelt in het project van Rune Peitersen – hebben van meet af aan een rol gespeeld bij de ontwikkeling van de film en fotografie. In dat verband is de manier waarop Susan Sontag ooit de geschiedenis van de fotografie omschreef nog altijd boeiend: ze benoemde die als een strijd tussen twee verschillende opdrachten: de dingen mooier maken en de waarheid vertellen. Decennia geleden voegde zij daar ook al aan toe dat de veronderstelling dat de camera een objectief beeld geeft, heeft moeten wijken voor het feit dat foto’s bewijzen wat er is, en tegelijkertijd tonen wat degene achter de camera ziet. Zij vormen verslag én evaluatie van de wereld.2 Op het moment krijgt die balans tussen een registrerende werkwijze en het zichtbaar maken van de persoonlijke positie nog steeds opnieuw invulling, terwijl de rol van de toeschouwer daarbij belangrijker lijkt te worden.

Dat toont zich ook in de drie landschapfoto’s van Ine Lamers, die zij afgelopen jaar maakte in nachtelijk Gelderland. Lamers’ fascinatie voor fotografie is begonnen in de nachtelijke stad waar de dingen zich anders voordoen dan gedurende de dag. Ze groeide op in Gelderland en koos -  in het kader van een opdracht – voor een uiterst persoonlijke benadering van een aantal plekken die zij nog uit haar adolescentie kende. Ze ging daarbij op zoek naar tekenen van verstoring van het landschap. In een poging te komen tot ultieme registratie – ze werkte voor het eerst met een digitale camera – liet ze het natuurgetrouwe beeld paradoxaal genoeg los. Deze foto’s zijn opgebouwd in de tijd, door opnamen met verschillende belichtingstijden over elkaar heen te leggen, juist om de ervaring van de plek zo dicht mogelijk te benaderen. De nachtelijke stilte en afzondering, de geluiden van dieren, zij laten zich niet vangen in beeld. Hetgeen op deze plekken gaande is – de aanwezige verlichting intervenieert zodanig in het landschap dat dieren ontregeld en verdwaald raken – dat toont zich maar gedeeltelijk. In haar foto’s toont Ine Lamers de bizarre schoonheid van een landschap dat resultaat is van deze destructieve ontwikkeling. Zij kunnen dan ook gelezen worden als een moment van aanklacht. Kunnen, want uiteindelijk is dat aan de kijker, voor wie in deze wisselwerking tussen registratie en impliciete subjectiviteit, een actieve rol is weggelegd.

Haarscherp zijn ook de foto’s van Carolien Stikker zelf die behoren tot de serie I Can Paint. Abstracte patronen liggen speels aan de oppervlakte, waarachter glimpen van een achterliggende wereld zichtbaar zijn. Het zicht ontnemen gaat hier samen met uiterste scherpte. De decoratieve patronen ontstonden bij toeval in zeep op het raam, met als resultaat dat het glas zichtbaar wordt gemaakt als een laag waar doorheen gekeken wordt. Het beseft van een wereld daarachter impliceert in deze constructie ook een wereld ‘ervoor’ – de derde en onzichtbare laag van de camera.

Ook in het werk van Philippine Hoegen wordt de camera manifest gemaakt. Agent Informer 2 (2008) toont een rigoureus afgesneden deel van het achterlichaam van een dier. Het is geplaatst in een situatie achter een reflecterend raam, die verder lastig te duiden is. De beelduitsnede lijkt resultaat van een ‘fotografisch kijken’, een zoekend kijken door de camera, met inkadering en zoom – waarin de lens voorziet – als beeldbepalende elementen. Dit wonderlijke beeld verleidt door z’n schoonheid en intrigeert door z’n onbestemdheid. Hoegen toont met deze videostill een fractie en suggereert een achterliggende wereld die context biedt. Ook in de titel speelt ze met mogelijkheden tot betekenisgeving. De tweeledige soundtrack wisselt geluiden van gescharrel in een bos af met het geroezemoes van stemmen in een binnenruimte. Deze meervoudige context en daarmee meerdere interpretatiemogelijkheden, doorkruisen ons gangbare kijken dat wil identificeren en betekenis geven. Er zijn meerdere lezingen mogelijk en het lijkt erop dat het geheimzinnige karakter in geen van de opties geheel wordt prijs gegeven.

Divided Landscape is de titel van de tentoonstelling en van een werk van Carolien Stikker, dat uitzicht biedt vanuit een museum op een niet nader te definiëren stukje grond in voormalig Oost-Berlijn. De foto is afgedrukt op synthetisch doek wat het beeld op punten een schilderachtig karakter geeft. De scherpe lijnen van het kozijn liggen als een grid over het beeld en brengen net als in I can paint een gelaagdheid aan, die het kijken informeert en verschillende posities impliceert. Carolien Stikker omschrijft haar werken zelf als ‘landschappen – representaties van mogelijke waarnemingen – waarin schijnbaar onbelangrijke momenten onderhevig zijn gemaakt aan een meditatieve esthetiek.’

Mariska van den Berg

Deze tekst is geschreven bij de tentoonstelling Divided Landscape bij Galerie Gist in Amsterdam van 16 oktober t/m 21 november 2009. De tentoonstelling toont nieuw werk van Carolien Stikker in combinatie met werken van Ine Lamers, Philippine Hoegen, Rune Peitersen en Tom Zummer.

1 The Man with a Movie Camera van Dziga Vertov is (opgeknipt in 9 delen) te bekijken op www.youtube.com
2 Susan Sontag, ‘De heroïek van het kijken’ in: Over fotografie, 2008, (eerste druk 1973) p.103-135

Notes on the Panorama

 Posted by Rune on 02/05/2007
May 022007
 
www.workspace07.nl
www.filmhuisdenhaag.nlwww.panorama-mesdag.nl/
For technical details please
download proposal for Workspace07 .pdf
or see Forest video installation

Een wandeling maken in Nederland is een confrontatie een overdaad aan visuele details en eisen. De hedendaagse maatschappij vraagt veel van onze oplettendheid. Als gebruikers wennen wij steeds meer aan het feit dat we onze concentratie dienen te verdelen.
Peripheral Panorama van Rune Peitersen bootst een wandeling na waarbij het zicht recht vóór de toeschouwer ontnomen wordt en enkel een onscherpe blik van opzij rest. Door middel van suggestie en beweging wordt een realiteit geschapen waarin men niet alleen bewust nadenkt over de locatie, maar men ook inzicht krijgt in hoeverre visuele randverschijnselen de locatie bepalen.Dat de wandeling in Peripheral Panorama in Scheveningen plaatsvindt, is geen toeval. Precies 125 jaar geleden voltooide Mesdag zijn panorama. In Mesdags meesterwerk zijn de details bedoeld om een realiteit na te bootsen. Peripheral Panorama biedt de toeschouwer de mogelijk de realiteit zelf in te vullen. Huib Haye van der Werf


Notes on the Peripheral Panorama
Rune Peitersen—————————————————————————————————————————21-02-2007

If you look at the pilosophical root of science and compare it to the philosophical implications of modern science, you seem to end up with a conundrum. The first takes its outset in doubt and basically says “don’t trust your senses or any information given to you by them, because our senses can fool us”, and the latter states something along the lines of “it is impossible to talk of a reality ‘outside’ our sensory apparatus”. I have always thought of the cartesian angst of ‘being fooled by ones senses’ as somewhat overrated. The question remains, however, whether the latter statement makes it impossible to ‘be fooled by ones senses’. This would contradict if not common sense, then at least common experience. However, if we turned the argument around it might not have to. Instead of thinking something is wrong with my sensory input when I see something someone else doesn’t see, I should regard it as a conflict between my sensory apparatus and his sensory apparatus. This conflict only arises if we demand to be able to share everything, even the perception of our reality, and could easily be laid to rest by embracing a statement like: “I trust the reality of my sensory input, but accept that this reality may not be shared by others”. This means that we must accept that our shared reality may not be the complete reality (in fact we should disperse of the term ‘complete reality’), or at least that we can choose to see a shared reality as part of a wider definition and experience of reality. Reality is subjective and only where it happens to overlap someone else’s subjective reality, consensus arises and we can then enter into meaningful communication about it.

Peripheral vision is the part of our field of view which lies outside of our central vision. The peripheral vision is basically a colourless blur, in which only contrasts and movement are detected. The eye is not physically capable of detecting detail outside of the center. This, however, is not how we experience the surroundings outside our central focus.
Every time something changes in the peripheral vision, our focus is directed to whatever caused that change. In a sense we determine which part of our world is in focus simply by looking at it. If we don’t look, it remains a blur.

A Panorama is a contraption, not unlike a cinema, designed to trick the viewer into believing he’s somewhere else. Everything is constructed around confusing the viewer, to fool his senses. In The Panorama Mesdag you experience a representation of Scheveningen as it looked to the painter 125 years ago. From there you can walk to Scheveningen and see for yourself what it looks like today.
The word Panorama means something like ‘all encompassing view’.

In Peripheral Panorama you don’t get an ‘all encompassing view’. You get to see two representations of my peripheral vision as I retraced the periphery of Mesdag’s representation of Scheveningen 125 years ago. One gives you detail, the other tries to emulate the visual input I received.
It was never my intention to strive for any sort of objectiveness in this presentation. In fact, I hope each viewer will allow himself to be fooled by his senses and experience a reality which he is unable to communicate to his fellow man.
—————————————————————————————————————————
01-03-2007

I like to think of our mind as a ‘void-filler’. It attributes meaning to our surroundings by interpreting and labeling structurs as recognizable objects. This process is not part of our conscious thinking – it is pre-conscious or sub-conscious.
With this installation I wanted to see if, by taking advantage of a peculiarity of the way we see, the peripheral vision, it would be possible to force the ‘void-filling’, at least partially, into the conscious thought-process.
Among other things this would require control over the viewers visual input – no disturbances allowed. This is similar to the setup of a cinema, and in particular one of its precursors, The Panorama. I decided to make use of some of the tricks used in the constructin of traditional panoramas.
The closer the construction came to completion, the more I came to think of it as a ‘one man cinema’. There is one vantagepoint within the installation from which you should be able to encompass the whole view within your peripheral vision. However, I doubt you’ll be able to restrain your focus to that point for long. Because of the shifting contrasts and movement playing at the corners of your eye, your mind will force your focus back and forth trying to make sense of the imagery – in effect, trying to fill the void.

—————————————————————————————————————————

May 2007

Peripheral Panorama was a video installation built specifically for the Project space, Zaal 5, in The Filmhouse in The Hague. As winner of the annual prize competetion, Workspace07, I adapted an idea from an earlier work to fit the specific setting of both The Hague and the space itself. The installation consisted of a large maze-like structure which the viewer had to enter and walk through in order to view the main video screens. The two screens were set at an angle to each other and the viewer so that they corresponded with the viewer’s peripheral vision. Standing at the right spot, he could encompass both screens within his peripheral vision. However, when doing so, he found himself staring into the darkness between the two screens, which corresponded with his central vision, the visual field where we normally see things in detail. The movies shown on the two screens were shot at a similar angle to each other while walking through the areas in The Hague which had been painted by Mesdag for the Panorama Mesdag in the late 1800′s. The footage had been altered to resemble an estimation of how the peripheral vision is ‘seen’ by our eyes. Only movement, colour and contrast remained.
The steady walking movement and the shifting scenery created the experience of moving forward through something but not being able to discern what or where. Some viewers described it as ‘seeing through someone else’s eyes’. Others found the lack of central vision disturbing because they felt a loss of control.
Once the viewer exited the maze, he was offered a view of the original, unedited footage used in the Panorama. On a single monitor, the two movies were played sequentially and with sound. Here the viewer could see in detail what my peripheral vision had ‘seen’ while filming, but he lost the overview of the Panorama.

—————————————————————————————————————————

21-05-2007

I am interested in emulating and visualizing the way our senses work. By presenting a ‘video’ version of the peripheral vision, emphasis is put on the discrepancy between how visual information enters our brain and how we (our brain) presents that information to us. There is an apparent ‘misunderstanding’ in our understanding of how we percieve the world. Not only is it impossible to talk of an objective world ‘out there’ to be sensed, but even if it were so, we still wouldn’t be able to ‘see’ it through anything but the filters of our brain. Basically, what that comes down to is, that the world as we know it is a neurological construction and that, when we sense, we sense a neurological projection triggered by stimuli principally unknown to us.
This also means that when we see, we do not see through our eyes like we see through a pair of binoculars, rather the eyes and the visual cortex make up the visual sensation of seeing. In its extreme this means that what we see is the world – no matter if no one else sees it like we do.

In the Panorama, the brain is taken out of the perceptional equation so that the viewer gets an impaired (or, more accurate) image of how our perception works.

 

 

May 032005
 

Schilderen met software
Marcel Wichgers

Eindeloos bos, takken, varens en blote billen. ‘Kijkwijdte’ brengt schilderkunst en nieuwe media bij elkaar. Een intrigerende expositie van het Frank Mohr Instituut.

Anderhalfduizend opgestapelde plastic patatbakjes, leeg. Met montagekit aan elkaar geplakt en tentoongesteld midden in de expositie Kijkwijdte. ‘Bauplastik’ heet dit object van Anne Jaap de Rapper. Het intrigeert. Maar onduidelijk is wat Bauplastik te maken heeft met het thema van de tentoonstelling Kijkwijdte in het Centrum Beeldende Kunst (CBK): ‘schilderkunst en haar expansie naar andere kunstdisciplines’.
Kijkwijdte moet laten zien welke verbindingen te maken zijn tussen schilderkunst en andere, vaak modernere kunstvormen zoals video en computerkunst. Alle deelnemende kunstenaars zijn na 1998 afgestudeerd aan het Frank Mohr Instituut, de afdeling nieuwe media van Minerva. Kijkwijdte is al te zien geweest, maar niet in Groningen. Onder de titel ‘Expanded Painting, Expanded Viewing’ werd een keuze uit de expositie pas geleden tentoongesteld in de Times Square Gallery in New York.

Anders dan de patatbakjes verwijst de computerprojectie ‘2.5 Dimensions’ uit 2003 van de Groninger Michiel Koelink wél duidelijk naar de schilderkunst. Het werk is een projectie op een van de wanden in een zijzaaltje. Er heerst een serene stilte, op het irritante getik en geratel van een kunstwerk uit de grote zaal na. Op het eerste gezicht werkt 2.5 Dimensions slaapverwekkend door de trage camerabewegingen en de wazigheid van de beelden die voortdurend in elkaar overvloeien. Maar na verloop van tijd worden de beelden hallucinerend en kun je jezelf erin verliezen. Of eigenlijk: erin verdwalen. De beelden tonen een eindeloos bos met naald- en loofbomen, takken, varens, omgevallen boomstammen, ochtenddauw en boomschors. Eindeloos en doelloos dwaalt de camera daar tussendoor. Maar dan blijkt van alles niet te kloppen aan het bewegende schilderij. Want niets in het bos beweegt. Geen mens, dier, blad of boomtop.
De projectie blijkt geen video maar een computerconstructie van negen panorama’s die elk uit veertien foto’s bestaan. De ogenschijnlijk eindeloos vloeiende beweging is in werkelijkheid niets anders dan een constructie van 126 gefotografeerde momentopnamen. De titel 2.5 Dimensions benadrukt het optisch bedrog van de driedimensionale suggestie.

Koelink maakte gebruik van QuickTimeVR (QTVR), een standaardsoftware voor de weergave van 3d-panorama’s. Voor de uitvoering kreeg Koelink hulp van het High Performance Computing Centre (HPC&V) van de Rijksuniversiteit Groningen.

Welke techniek de Deense kunstenaar Rune Peitersen in zijn geluidloze video’s precies toepaste, blijft gissen. Het onderwerp spreekt voor zich. Op drie monitoren toont hij telkens twee heftig bewegende personen van wie vooral de haast vloeibaar geworden spierbundels te herkennen zijn. In ‘Bed003’ gaan de (mannelijke) bilspierbundels alsmaar op en neer. In ‘Bed002’ is het stel kennelijk van positie verwisseld en. Na zoveel zich eindeloos herhalende copulatiebewegingen valt in Peitersens ‘Shower004’ eigenlijk alleen nog maar de achtergrond van badkamertegeltjes op.

CBK, De Oosterpoort, Wo t/m zo, 13 – 17 uur. T/m 29 mei. Toegang gratis. www.cbk.groningen.nl

© 2005 Universiteitskrant | laatste versie: 2 maart, 2005 | top

May 032004
 

Exhibition text

Play, Pause, Record, Stichting Outline, Amsterdam, 2004

Curated by Huib Haye van der Werf

The work of Rune Peitersen

The work of Rune Peitersen is focussed on controlling time and movement rather than present the fundamental relationship between moving and static images. Thematically his aim is to condense the moment of symbiosis between two people into a seemingly singular fragment in time; coming as close as possible to setting time and motion still – by compressing a process into one brief, repetitive moment – without immobilizing the subject. In Shower004 (2004) it is that moment which is depicted and repeated infinitely for the viewer: a melting of two figures whose actions have been reduced to an endless perpetual movement, or ‘movement-image’. In the case of his photographs, his approach is very much similar, only taken from the other end: by presenting a plurality of form and symbiosis on a two-dimensional plane, he insinuates motion to the viewer without revealing it. This investigation into the boundaries and control of motion is also evident in the manner in which Peitersen constructs his works. For example Bed002 (2004) started as thirty minutes of film which – by repeating and reducing motions from that footage through digital manipulation – has been condensed to five seconds of actual motion. However, concentrating on the formal aspects of his work alone would not do justice to the strong symbolic and thematic quality that dwells within the formal properties that initially fascinate. Works such as Flashlight001 (2003) reveal that the symbiosis which is presented so overtly in this – and other – work(s), becomes an aesthetic and emotional experience once the viewer has past the moment of probing through its explicit shell. What seems grotesque and disproportionate becomes natural and familiar, thereby confronting the audience with its own prudence and speculation. Ultimately Rune Peitersen is not out to shock his audience but rather to overwhelm them with proverbial portrayals of the symbiosis of physical and emotional beings. He does so in a fashion that pays heed to the aesthetics and process of his endeavour, without presenting his audience a profane image or an intangible illustration. One could almost say, ‘normal’.

Huib Haye van der Werf

May 042002
 

“…The Danish born [Rune] Peitersen has been experimenting with amorpheous fleshcoloured shapes since he was at the academy in The Hague. On early paintings he let reddish paint stream over the canvas as slowly coagulating blood. Later he created three-dimensional works with the aid of quickfoam, a dirty material which continues to slowly grow for hours, after being applied. Eventually he, as so many others, started manipulating images of body parts using a computer. In his works this results in images of weird lumps of flesh. Horrific chunks of flesh which reminds one of abortions or primitive lifeforms from a distant planet. The latter lead Peitersen to apply a very threatening to photos of everyday reality. With his digital brush he painted flesh-like shapes at the banks of an idyllic river, suggesting pending doom. In the gallery a similar work is displayed. A photo of an apparently harmless interior, a TV showing a shampoo commercial and next to bunches of grapes. Here the everyday image is cruelly disturbed by an enormous corporeal mass which seems to be growing out of a laundry basket. Fierce as these works may be, the real horrors are to be found in Peitersen’s darker photos and video’s of love-making couples. From the internet he collected some pornographic photos which he distorted to a degree that it’s hard to tell anymore that this was once two bodies. The human figures have literally melted together. In the videos these undefined bodily shapes even move to a pulsing rythm, resembling most of all a large beating organ. Although it turns your stomach inside out and the aesthetics are a lot less responsible, Peitersen’s fantasy images are far more intriguing than Regnerus’ poetry-album pictures. Where her pseudo-interesting pictorial findings suckles you into a comatose sleep, Peitersen’s bizarre retardations provide ample stimulation to look at reality with a widely awakened gaze.”

Arjan Reinders

“Een weeë glimlach en weke knieën bij zo veel lieflijkheid”, Arjan Reinders, Het Parool, July 8 – 2002
Translation by Rune Peitersen

 

Pause and play

(Recensie/Ingrid Commandeur/Tubelight 12/01.12.2000)

Bij het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vond onlangs een discussie plaats naar aanleiding van het nieuw verschenen boekje: ‘Nice’ over nieuw engagement in de hedendaagse kunst van de criticus/ publicist Rutger Pontzen. Pontzen hield die avond een pleidooi voor de nieuwe tendens in de beeldende kunst waarbij de kunstenaar de inhoud van het kunstwerk vooral zoekt in de participatie van de toeschouwer. Kunstenaars als Alicia Framis gaat het vooral om de vaak eenmalige ervaring die een installatie bij de toeschouwer weet op te roepen. Deze kunst spoort ons aan tot de bewustwording van het moment en we moeten ons niet afvragen op wat voor gronden deze werken nu wel of niet tot de beeldende kunst gerekend moeten worden, aldus Pontzen.

Pontzen kreeg veel kritiek op zijn verhaal, want is het uiteindelijke gevolg van zijn interpretatie niet dat het engagement van deze kunstenaars volledig wordt uitgehold? Een felle discussie volgde over de criteria waarop deze kunst beoordeeld kan worden. Moeten we kijken naar de handeling of gebeurtenis zelf, de context ervan of speelt de materialiteit van dit soort werken toch ook een duidelijke rol? Een aardige discussie om aan de praktijk te toetsen, bijvoorbeeld bij Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam.

Ellen de Bruijne koos voor haar huidige presentatie een aantal werken van de Amerikaanse kunstenaar Paul Ramírez Jonas en de Deense kunstenaar Rune Peitersen. Werk van Ramírez Jonas was eerder in Nederland te zien op de tentoonstelling Panorama 2000. Daar maakte Ramírez Jonas van de stad Utrecht een klok met de domtoren als middelpunt. Hij verdeelde de stad in 12 segmenten en liet daarin kloksgewijs, zowel op particuliere als openbare locaties, de cijfers 1 t/m 12 aanbrengen. Vanaf de domtoren kon het publiek de stad zo als een reusachtige wijzerplaat beschouwen waarin een rijdend draaiorgel dienst deed als uren-wijzer. Bij Ellen de Bruijne zijn nu de grote installatie ‘Pause and Play’ en enkele fotoreeksen van hem te zien. Deze werken worden getoond naast vier nieuwe werken van de jonge Deense kunstenaar en debutant Rune Peitersen. Peitersen studeerde aan de Koninklijke Academie in Den Haag en zit nu in zijn laatste jaar van het Frank Mohr Instituut in Groningen.

Het eerste dat opvalt bij het betreden van de intieme galerieruimte is de grote installatie ‘Pause and Play’ van Ramírez Jonas, die pontificaal in het midden van de ruimte staat opgesteld. De installatie bestaat uit verschillende instrumenten: bekkens, trommels, een tamboerijn, en wie goed kijkt ontdekt zelfs een klein scheidsrechtersfluitje. Ze vormen een bonte stoet, met elkaar verbonden door een ingenieus systeem van slangetjes, elektriciteitskabels en klemmen. Op de kop van de stoet staat een fiere vlag opgesteld en de staart ervan wordt gevormd door de motor van een stofzuiger. Het ding doet denken aan de machines van Jean Tinguely uit de vroege jaren zestig: alle onderdelen roepen associaties op met geluid en beweging. Voorlopig echter geeft het zijn geheim nog niet prijs en staat het er roerloos bij.

Tegenover deze installatie hangt een grote serie foto’s. Deze doen op het eerste gezicht nog het meest denken aan oude, wetenschappelijke meetinstrumenten waarbij het zonnestelsel werd bestudeerd: ijzeren armen met planeten erop, die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Dichterbij gekomen blijken de hemellichamen geen planeten maar vruchten te zijn: een appel, een ui, een mandarijn et cetera. Onder elke foto staat een tijdstip vermeld en het jaartal 2042. De galeriste vertelt me dat Ramírez Jonas dit jaartal uitkoos, omdat dat het jaar is waarop hij 75 wordt, de gemiddelde leeftijd waarop een Amerikaanse man sterft. Hij nam elke dag op een ander tijdstip een foto van zijn fruithemellichamen, registreerde daarmee het proces van verrotting, en schiep zo zijn 21-eeuwse versie van het Vanitas-stilleven. Het werk van Ramírez Jonas heeft altijd te maken met het thema vergankelijkheid en zijn voorliefde voor geschiedenis, techniek en wetenschappelijke uitvindingen. Dat blijkt eens te meer wanneer Ellen de Bruijne haar toelichting bij het werk moet onderbreken omdat de motor van ‘Pause and Play’ begint te ronken. Er wordt lucht door de leidingen geperst en dan geeft de provisorisch uitziende instrumentenmachine een prachtig concert van marsmuziek ten beste. Het vrolijke geschal vult de ruimte, bezoekers lachen en de huilende baby van Ellen de Bruijne is meteen doodstil. Net als bij zijn foto’s heeft Ramírez Jonas ook in deze installatie een duidelijke verwijzing gemaakt naar wetenschappelijke techniek en de beleving van tijd. De instrumentenmachine wordt aangestuurd door een computerprogramma die de tijdspanne tussen de verschillende opvoeringen vertaald in de snelheid waarmee de muziek wordt gespeeld. Het werk van Rune Peitersen sluit qua thematiek heel mooi aan op dat van Ramírez Jonas. Van hem is bijvoorbeeld een groot organisch wand- object te zien, gemaakt van doorzichtig plastic en tape. Met een viltstift zijn hierop atoomachtige structuren getekend. Ook hangen er drie nieuwe computerprints waarop twee vrijende mensen te zien zijn waarvan het lijkt alsof ze zijn gemuteerd tot één persoon: waar het ene lichaam ophoudt en het andere begint, is niet meer te zien. Uit deze werken spreekt een vergelijkbare fascinatie voor het lichamelijke enerzijds, versus wetenschap en technologie anderzijds, als uit dat van Ramírez Jonas. Een verschil is wel dat de kracht van het werk van Peitersen ligt in zijn subtiele materiaalgebruik terwijl dat bij Ramirez vooral gelegen is in het performatieve element van zijn werk: je wilt meteen weer een concert horen van de machine, maar wanneer deze weer wordt geactiveerd is niet duidelijk.

Is dit dan wat Rutger Pontzen bedoelt met zijn nieuwe, lichtzinnige, op de ervaring van de toeschouwer gerichte engagement? Het onverwachte concert van de machine veranderde de bezoekers ten slotte van houterige toeschouwers in geïnteresseerde kijkers. Dit kan gemakkelijk beschreven worden als een goedkope vorm van effectbejag die niets meer te maken heeft met beeldende kunst. Rest kunstenaars alleen nog de keuze van dezelfde strategieën gebruik te moeten maken als de vermaaksindustrie om een toeschouwer nog te kunnen boeien? Het antwoord daarop is: nee, maar ze zijn wel gerechtigd dit te doen. Het effect van de installatie ‘Play and Pause’ heeft bovendien een andere betekenis omdat deze ervaring de toeschouwer ontvankelijk maakt voor ande re aspecten, zowel formeel als inhoudelijk, van het werk.

Dat de discussie in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vastliep op gekonkelfoes over criteria zegt niet zoveel over de beeldende kunst zelf, als wel over het feit dat we nog steeds moeite hebben te accepteren dat algemene criteria niet meer bestaan en ook nooit meer terug zullen komen. Steeds opnieuw moeten die per kunstwerk of project worden vastgesteld. Het enige dat rest is de gevoeligheid die in de kunst besloten ligt, of dat nu de sociale context, de autonomie, het performatieve of de interactiviteit van een beeld betreft, te beoordelen op zijn merites en proberen aan te voelen of de kunstenaar erin slaagt hiermee iets los te maken bij de toeschouwer. De tentoonstelling bij Ellen de Bruijne slaagt daar duidelijk we in.

 

Almighty God! – no, no? They heard! – they suspected! – they KNEW! – they were making a mockery of my horror! – this I thought, and this I think. But anything was better than this agony! Anything was more tolerable than this derision! I could bear those hypocritical smiles no longer! I felt that I must scream or die! – and now – again – hark! louder! louder! louder! LOUDER!
– “Villains!” I shrieked, “dissemble no more! I admit the deed! – tear up the planks! – here, here! -it is the beating of his hideous heart!”
1 
The story by Edgar Allan Poe, from which the above quotation is taken, gives the impression that something is concealed behind visible reality, something that leads its own life, that changes continuously. The suspicion that something is beating behind the wall, something that is relentlessly growing, plays a key role in the work of Rune Peitersen. He suspects that a chair changes form behind his back and, as quick as lightning, again assumes the shape of a chair when he turns round and looks at it. He became so intrigued by this possibility that he wanted to capture the reality of the chair, which does not wish to be known. What would this ‘invisible’ substance look like? This is the question that constantly engrosses him and which permeates all his work.

This invisible reality fascinated him even as a child. What was playing and talking in the radio? He imagined a dreamworld, but when he started investigating and opened up the radio, he felt deceived. There was nothing to be seen that could produce the sound. Later, when he had grown up, but was still locked in the issue of how to capture the hidden reality, the physicist Heisenberg came to his aid. Heisenberg announced that the smallest natural entities behave according to our perception. If we imagine such an entity as a particle, it will behave as a particle. If we regard it as a wave, it will also appear and behave as a wave. Couldn’t this be the case with our everyday reality? This is the question that engages Rune. Don’t the chair and the radio simply assume the shape we expect them to have? Or, even worse, perhaps our look petrifies the secret process of reality, just like Medusa did with her victims? Perhaps, in looking, we disturb the creative process that is taking place within objects.

In Rune Peitersen’s work, the unusual materials and the peculiar forms could be a metaphor for the process of reality that is interrupted and petrified by our perception. The bizarre forms of his objects seem to refer to searching and groping for the invisible. It is as if they could continue their activities at any moment if we turned around and literally lose sight of them; perhaps the creativity of matter would break loose again.

Rune’s objects are made of polyurethane foam, synthetic resin, and plastic. He considers it important that they are shapeless and seem to be not completely under control. This suggests that matter is seeking its own form and is still involved in a process of growth. The things that issue from this seem to have come from another world.

These things also appear in the artist’s photographic work, but in a world that is undisturbed by human perception. They are at home here, because it is the neutral medium of photography that has perceived them, rather than the human eye. Thus, it is only the direct view that petrifies; reality can be captured in its own true nature in an indirect way.

In his photographs Rune moves around in the midst of matter’s own reality without disturbing it, clad in a tight green suit. This must be taken metaphorically in order to grasp his intentions. Metaphor is characterised by indirectness and ambiguity: something is such and is simultaneously not such. This also applies to the work of the artist. He finds himself in a fictive reality as if it were the most normal situation in the world.

The photographs are montages that have been created with the help of the PhotoShop computer program. And this reinforces the effect of alienation. The three-dimensional reality of Rune’s objects, which have something familiar to us (we can pick them up and hold them), make way for two-dimensionality in the photographs so that they distance themselves from us to a greater extent. What the artist wanted in his childhood years, the exploration of the secret world of matter, now appears to be successful. The photographs, although he moves around in a landscape that has originated in his imagination, represent  that other world that we cannot directly perceive. Landscapes in these composite photographs are actually close-ups of his objects and, to Rune, they appear to be ‘strangely familiar’.

The snapshot-type of photographs do not form a story, but refer to the journey the artist is making. Rune Peitersen resembles Odysseus meandering in foreign parts. The journey has no aim other than the exploration of a world that finally turns out to be his own creation. On this odyssey, Rune displays the open-mindedness of a child. He allows himself to be surprised, even startled, by what he sees, and wants us to share this with him. In this way, the artist wishes to take with him to our three-dimensional world that which he has discovered in the two-dimensional world of his photographic collages. In barrels he provides a good environment for the ‘animals’ in his photographs. Will he succeed in keeping them alive in this way, as inhabitants of our world? It seems to be worth the effort to investigate this.

A childlike openness also expresses itself in the composition of his work. This refers to the visual language of science fiction films and computer games. Rune’s archetypes are productions such as the television series Startrek and Hollywood films such as Event Horizon, in which the theme of travelling to uncharted areas is central. The protagonists find themselves in striking landscapes and come face to face with strange creatures. Rune’s uniform resembles to a certain extent that of the Startrek heroes, and the green colour refers to the comic strip hero The Incredible Hulk, who transforms into a green monster in times of crisis.

Just as in the old films, in which it is painfully obvious that the pictures have been assembled, Rune does not aim at technical perfection. In contrast, he works rather nonchalantly. It is the suggestion, the clues that function as agreements in children’s games, which are important. And he succeeds in drawing the viewer into this game; the viewer is never irritated by the imperfection of his work.

His choice of photomontage is fascinating and serves the goal that Rune Peitersen wishes to achieve. Photographs furnish a sensation of reality, since visible reality is always their basis. However, the montage displays the imaginative powers of the artist, who does not invest too much importance in this reality. Objectivity and subjectivity blend into an inextricable entity in the photomontage. The fictive world, which Rune wishes to disclose, thus obtains an irresistible reality value while the metaphorical character remains intact. Accordingly, the artist balances on the edge of the strange and the familiar. In his earlier, deformed porno-photographs, in which body forms seem to go their own way, the question arises as to what is exotic and what is familiar. In contrast to painting, the origins of the deformed image remain recognisable in the photomontage.

Occasionally, it seems as if Rune reanimates surrealism; this movement also wished to discover and visualise unknown reality. But whereas Rune wishes to make something manifest, the surrealists wished to generate manifestos. They had a distinct message, primarily based on the ideas of Freud. In addition, they were oriented against conventional culture. The work of Rune Peitersen has no connection with Freud’s theories and has no message, let alone a criticism of society. He wishes to play with his dreams and wishes in an ironic way. He invites the viewer to participate and allows him of her to depart if there is no special interest. Rune himself dances and dreams further.

If we wish to compare his work with that of other contemporary artists, it is best to think of Jeff Wall, Micha Klein, and Mariko Mori.These artists also make use of photomontage, just like Rune. Their objectives may be different, but what unites them is the creation of new worlds. Wall’s photographs look like they have been captured in a fraction of a second. They display fragments from everyday reality, which he combines into a coherent photographic reality. Rather than taking snapshots of an underlying world, Wall takes ‘film stills’ that present the drama of a feature film in the medium of photography. He works similar to a film director, building décors, deploying lighting technicians, and hiring walk-on actors, in order to realise his goal as thoroughly as possible. He subsequently devotes his efforts to the montage of this all. In this way, the suggestion of an everyday reality is created, which does not actually exist.

In comparison, Klein and Mori display the same kind of features in their work as Rune does. They too create science-fiction-like scenes. Klein’s images come from the world of House music. Aided by the computer, he generates psychedelic pictures with supernatural female beauties and cartoon figures. Rune Peitersen is also inspired by the world of the computer, but his work is not immersed in it. In contrast, Mori has such a perfect command of computer technology that the boundaries between a fabrication and reality are completely blurred. Composition in the work of Klein and Mori is a goal in itself whereas, to Rune, it remains a means to an end. Where there is a belief in technology in the work of the former artists, Rune leaves space for an ironic smile.

It would be helpful if the viewer saw the world as the artist sees it, but this is no precondition. Rune’s attitude of putting things into perspective also applies to the way the viewer regards his work. The artist does not wish to impose, let alone make demands. He has no message. Anyone interested is invited; Rune displays his world to him or her. In so doing, perhaps he inspires others to listen to the unheard beating in matter, so that they can turn around like lighting and thus capture the functioning of ‘true’ reality.

 

 

1. Edgar Allan Poe, ‘The tell-tale heart’, in: J. Symons (ed.), The life and works of Edgar Allan Poe, London 1978, pp. 243-248.

 

Lodewijk Gerretsen, “Draw and Quarter”, ed. Katalin Herzog, AMP, Groningen 2001

 

Almighty God! – no, no? They heard! – they suspected! – they KNEW! – they were making a mockery of my horror! – this I thought, and this I think. But anything was better than this agony! Anything was more tolerable than this derision! I could bear those hypocritical smiles no longer! I felt that I must scream or die! – and now – again – hark! louder! louder! louder! LOUDER!

 – “Villains!” I shrieked, “dissemble no more! I admit the deed! – tear up the planks! – here, here! -it is the beating of his hideous heart!”1 )

 

Het verhaal van Edgar Allan Poe, waaruit bovenste citaat stamt, doet vermoeden dat achter de zichtbare werkelijkheid iets schuil gaat, iets dat een eigen leven leidt, voortdurend verandert. Het vermoeden dat er iets klopt achter de muur, iets wat constant groeit, speelt in het werk Rune Peitersen een belangrijke rol. Zo vermoedt hij dat een stoel achter zijn rug van vorm verandert en zich bliksemsnel weer als stoel voordoet, wanneer hij zich omdraait en er naar kijkt. Hier raakt hij zo door geïntrigeerd dat hij de werkelijkheid van de stoel, die zich maar niet te kennen wil geven, zou willen betrappen. Hoe zou die ‘onzichtbare’ materie er uitzien? Dat is de vraag die hem voortdurend bezighoudt en door al zijn werk speelt.

Als kind al fascineerde hem die onzichtbare werkelijkheid. Wat speelt en praat er in de radio? Hij fantaseerde er een droomwereld bij,  maar als hij op onderzoek uitging en de radio open maakte, kwam hij bedrogen uit. Er was niets te zien wat het geluid veroorzaakte. Later, toen hij volwassen was, maar nog steeds met de vraag zat hoe die verborgen werkelijkheid te betrappen, kwam de natuurkundige Heisenberg hem te hulp. Heisenberg beweerde dat de kleinste elementen uit de natuur zich naar onze waarneming gedragen. Stellen we ons zo’n element voor als een deeltje, dan doet het zich ook voor als een deeltje. Als we denken dat het een golfje is, dan zal het zich ook zo tonen en gedragen. Zou dat met onze alledaagse werkelijkheid ook niet het geval kunnen zijn?  Dit is de vraag die Rune bezighoudt. Neemen de stoel en de radio niet een vorm aan die we verwachten? Sterker nog, zouden we met onze blik het geheimzinnige proces van de werkelijkheid niet verstenen, zoals het Medusa dat met haar slachtoffers deed? Verstoren we met onze blik niet het creatieve proces dat in de dingen gaande is?

In het werk van Rune Peitersen zouden de vreemdsoortige materialen en buitenissige vormen een metafoor kunnen zijn voor het door onze waarneming verstoorde en versteende proces van de werkelijkheid. De bizarre vormen van zijn objecten lijken te verwijzen naar het zoeken en tasten naar het onzichtbare. En het is alsof ze elk moment daarmee verder zouden kunnen gaan, als we ons omdraaien en ze letterlijk uit het oog verliezen. Wie weet zou de creativiteit van de materie dan weer losbarsten.

Runes objecten zijn gemaakt van purschuim, kunsthars en plastic. Hij vindt het belangrijk dat ze vormeloos zijn en niet helemaal onder controle lijken. Dit suggereert dat het materiaal zijn eigen vorm zoekt en nog in een groeiproces verwikkeld is. De dingen, die hieruit voortkomen, lijken uit een andere wereld afkomstig te zijn.

In het fotografisch werk van de kunstenaar verschijnen deze dingen ook, maar dan in die wereld, ongestoord door de menselijke waarneming. Daar zijn ze thuis, omdat niet de menselijke blik, maar het neutrale medium van de fotografie ze heeft waargenomen. Het is dus slechts de directe blik die versteent; op indirecte wijze is de werkelijkheid in haar eigen aard wel te vatten.

Dat Rune, gehuld in een strak groen pak, in zijn foto’s rondloopt temidden van de werkelijkheid der materie, zonder deze te verstoren, moet  metaforisch opgevat worden om zijn bedoeling te begrijpen. De metafoor kenmerkt zich door indirectheid of dubbelheid: iets is zò en het is tegelijkertijd niet zò. Dit is eveneens van toepassing op het werk an de kunstenaars. Hij bevindt zich in een fictieve werkelijkheid alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

De foto’s zijn montages die met het computerprogramma Fotoshop gemaakt zijn. En dit versterkt het effect van vreemdheid. De driedimensionale werkelijkheid van Runes objecten, die voor ons nog iets vertrouwds hebben (we kunnen ze beetpakken en vasthouden) maakt in de foto’s plaats voor een tweedimensionaliteit, waardoor ze verder van ons af komen te staan. Wat de kunstenaar als kind al gewild heeft, het verkennen van de geheimzinnige wereld van de materie, daar lijkt hij nu in geslaagd te zijn. In de foto’s loopt hij in een landschap rond dat weliswaar aan zijn verbeelding ontsproten is,  maar dat ook die geheel andere, voor ons niet direct waar te nemen wereld, verbeeldt. De landschappen in de fotomontages zijn namelijk close-ups van zijn objecten en voor Rune komen ze dan ook als ‘strangely familiair’ over.

Deze snapshot-achtige beelden vormen samen geen verhaal, maar verwijzen naar de reis die de kunstenaar maakt. Rune Peitersen is als Odysseus die in den vreemde dwaalt. De reis heeft geen ander doel heeft dan de verkenning van een wereld, die tenslotte zijn eigen creatie blijkt te zijn. Op die Odyssee vertoont Rune de onbevangenheid van een kind. Hij laat zich verrassen en verbazen door wat hij ziet en wil ons daarin laten delen. Zo wil de kunstenaar datgene wat hij in de tweedimensionale wereld van zijn fotocollages ontdekt naar onze driedimensionale werkelijkheid mee te nemen. In tonnen biedt hij een goede omgeving voor de ‘dieren’ uit zijn foto’s. Zou hij op deze wijze ze erin slagen ze in leven te houden, als bewoners van onze wereld? Dit lijkt de moeite waard  om te onderzoeken.

Een linderlijke onbevangenheid uit zich ook in de vormgeving van het werk. Die refereert aan de beeldtaal van de sciencefictionfilms en de computergames.

Voorbeelden voor Rune zijn de televisieserie Startrek en Hollywood films, zoals Event Horizon. Hierin is het thema van het reizen naar onbekende gebieden belangrijk. De hoofdpersonen bevinden zich in merkwaardige  landschappen en komen oog in oog met vreemde wezens te staan. Het uniform  van Rune heeft overeenkomsten met die van de helden van Startrek en de groene kleur verwijst naar de stripheld de Hulk, die in crisissituaties in een groen monster verandert.

Net als in oude films, waarin overduidelijk te zien is dat de beelden geconstrueerd zijn, streeft Rune niet naar technische perfectie. Hij gaat tamelijk nonchalant te werk. Het gaat hem om de suggestie, om clues die als afspraken in het spel van kinderen functioneren. En hij slaagt erin om de beschouwer te betrekken bij zijn spel; geen moment raak je geïrriteerd door de onvolmaaktheid van zijn werk.

Zijn keuze voor de fotomontage is fascinerend en dient het doel dat Rune Peitersen wil bereiken. Foto’s geven een sensatie van realiteit, daar hun ‘oorzaak’ altijd de zichtbare werkelijkheid is. In de montage toont zich de verbeeldingskracht van de kunstenaar die zich niets gelegen laat liggen aan die werkelijkheid. Objectiviteit en subjectiviteit versmelten in de fotomontage zo tot een onverbrekelijk geheel. De fictieve wereld, die Rune bloot wil leggen, krijgt hierdoor een onweerstaanbare realiteitswaarde terwijl het metaforische karakter ervan overeind blijft. De kunstenaar balanceert zo op de grens van het vreemde en het vertrouwde. Bij zijn vroegere, gedeformeerde pornofoto’s, waarop lichaamsvormen hun eigen weg lijken te gaan, komt de vraag op wat nu vreemd en wat vertrouwd is. Anders dan bij het schilderen blijft in de fotomontage de oorsprong van het gedeformeerde beeld herkenbaar.

Soms lijkt het erop dat Rune het surrealisme nieuw leven inblaast; ook deze stroming wilde de onbekende werkelijkheid ontdekken en zichtbaar maken. Maar waar Rune iets manifest wil maken, wilden de Surrealisten manifesten maken. Zij hadden een duidelijke boodschap, vooral gebaseerd op het gedachtegoed van Freud. En zij waren gericht tegen de burgerlijke cultuur.

Het werk van Rune Peitersen daarentegen, heeft niets te maken met de theorieën van Freud en heeft ook geen boodschap, laat staan een maatschappijkritische. Hij wil op ironische wijze spelen met zijn dromen en verlangens; nodigt de beschouwer uit tot meespelen en laat hem gaan als die niet wil. Rune zelf danst en droomt wel verder.

Als we zijn werk al met die van andere hedendaagse kunstenaars willen vergelijken, dan kan dat beter met dat van Jeff Wall,  Micha Klein en Mariko Mori. Net als Rune maken deze kunstenaars gebruik van de fotomontage. Hun doelstellingen zijn misschien verschillend, maar wat hen verbindt, is de creatie van nieuwe werelden. De foto’s van Wall zien eruit alsof ze in een fractie van een seconde zijn vastgelegd. Zij tonen fragmenten uit de alledaagse werkelijkheid die hij samenvoegt tot een coherente fotografische werkelijkheid. Wall maakt geen snapshots van een achterliggende wereld, maar ‘filmstills’ die in het medium van de fotografie het drama van een speelfilm presenteren. Hij gaat dan ook te werk als een filmregisseur; decors worden gebouwd, belichtingtechnici en figuranten worden ingeschakeld om zo goed mogelijk zijn doel te verwezenlijken. Vervolgens gaat hij over tot het monteren van het geheel. Zo ontstaat de suggestie van een alledaagse werkelijkheid die echter niet bestaat.

Klein en Mori daarentegen vertonen soortgelijke kenmerken in hun werk als Rune Ook zij creëren sciencefiction-achtige taferelen. Kleins beelden zijn afkomstig uit de wereld van de ‘House’ muziek. Hij maakt psychedelische beelden met onaardse vrouwelijke schonen en cartoonfiguren met behulp van de computer. Rune Peitersen laat zich eveneens inspireren door de computerwereld, maar zijn werk gaat er niet in op. Mori daarentegen beheerst de computertechniek zo perfect dat de grens tussen een constructie en realiteit geheel vervaagt. De vormgeving bij Klein en Mori is een doel op zich, terwijl bij Rune het als middel dienstbaar is. Waar bij de eerstgenoemde kunstenaars sprake is van een geloof in de techniek, laat Rune ruimte voor een knipoog.

Het zou mooi zijn als de beschouwer de wereld zag, zoals Rune deze ervaart, maar dit is voor hem geen vereiste. Zijn relativerende houding geldt ook voor wijze, waarop de beschouwer zijn werk ervaart. De kunstenaar wil niets opleggen, laat staan afdwingen. Hij heeft geen boodschap. Wie wil is uitgenodigd; aan hem laat Rune zijn wereld zien. Misschien inspireert hij zo anderen om te luisteren naar het nog ongehoorde geklop in de dingen om zich razendsnel om te draaien en zo het functioneren van de ware werkelijkheid te betrappen.

 

1. Edgar Allan Poe, ‘The tell-tale heart’, in: J. Symons (ed.), The life and works of Edgar Allan Poe, London 1978, pp. 243-248.

 

Lodewijk Gerretsen, “Draw and Quarter”, ed. Katalin Herzog, AMP, Groningen 2001