Fleshworks

 Posted by Rune on 03/05/2011
May 032011
 


I remember a summer morning,
we were lying in bed, in the sun, underneath the sheets,
after having made love.
Sweaty, drowsy.

Later we awoke, bathed in sweat,
slippery, warm and sleepyhorny.
Our heads were opposite of each other in the bed,
our feet in each other’s armpits. We were
rubbing, sweating,
rocking gently,
moving underneath the sheets, in the sun,
until, finally, we melted.
Possible, even in that position, because we were wet
with sweat and lust. We were one. We were slow,
enclosed, unlimited movement. We were body.

Afterwards we slept on, in the sun, underneath the sheets,
with our feet in each other’s faces.

 


Selected exhibitions:

mEATing II – mens|en|vlees, Perron 58, Tilburg

Kijkwijdte, Center for Visual Arts Groningen, Groningen, 2005

Rune Peitersen, Ellen de Bruijne Projects, Amsterdam, 2005

Expanded Painting, Expanded Viewing, Times Square Gallery, New York, cat., 2004

Otto Berchem, Mark Kent, Rune Peitersen, Jan Rothuizen, Ellen de Bruijne Projects, Liste 04 The Young Art Fair, Basel, 2004

Uitgelicht 4 – selected recipients of one-year work grants, The Netherlands Foundation for Visual Arts, Amsterdam, cat., 2004

Play, Pause, Record, Stichting Outline, Amsterdam, 2004

Rune Peitersen & Jannie Regnerus, Ellen de Bruijne Projects, Amsterdam, 2002

Rune Peitersen & Paul Ramirez Jonas, Ellen de Bruijne Projects, Amsterdam, 2000

mEATing II 2010

 Posted by Rune on 13/12/2010
Dec 132010
 

Vlees
Onlangs provoceerde Lady Gaga haar publiek door op het podium te verschijnen in een vleesjurk. Met gemanipuleerde pornobeelden laat Rune Peitersen man en vrouw de ultieme vleeswording ondergaan. Wat begon als pure sex wordt onder de titel ‘flesh’ door hem vertaald in de letterlijke versmelting van man en vrouw. De voelende mens zoekt lichamelijk genot, vervoering, extase. Juist dat, wat door een sfeer van geheimzinnigheid omhuld is, de grenzen van het taboe overschrijdt of zich alleen in de prive-sfeer mag afspelen, roept nieuwsgierigheid op.

From the website http://www.meating.nu/tentoonstelling.htm

 


May 032005
 

Schilderen met software
Marcel Wichgers

Eindeloos bos, takken, varens en blote billen. ‘Kijkwijdte’ brengt schilderkunst en nieuwe media bij elkaar. Een intrigerende expositie van het Frank Mohr Instituut.

Anderhalfduizend opgestapelde plastic patatbakjes, leeg. Met montagekit aan elkaar geplakt en tentoongesteld midden in de expositie Kijkwijdte. ‘Bauplastik’ heet dit object van Anne Jaap de Rapper. Het intrigeert. Maar onduidelijk is wat Bauplastik te maken heeft met het thema van de tentoonstelling Kijkwijdte in het Centrum Beeldende Kunst (CBK): ‘schilderkunst en haar expansie naar andere kunstdisciplines’.
Kijkwijdte moet laten zien welke verbindingen te maken zijn tussen schilderkunst en andere, vaak modernere kunstvormen zoals video en computerkunst. Alle deelnemende kunstenaars zijn na 1998 afgestudeerd aan het Frank Mohr Instituut, de afdeling nieuwe media van Minerva. Kijkwijdte is al te zien geweest, maar niet in Groningen. Onder de titel ‘Expanded Painting, Expanded Viewing’ werd een keuze uit de expositie pas geleden tentoongesteld in de Times Square Gallery in New York.

Anders dan de patatbakjes verwijst de computerprojectie ‘2.5 Dimensions’ uit 2003 van de Groninger Michiel Koelink wél duidelijk naar de schilderkunst. Het werk is een projectie op een van de wanden in een zijzaaltje. Er heerst een serene stilte, op het irritante getik en geratel van een kunstwerk uit de grote zaal na. Op het eerste gezicht werkt 2.5 Dimensions slaapverwekkend door de trage camerabewegingen en de wazigheid van de beelden die voortdurend in elkaar overvloeien. Maar na verloop van tijd worden de beelden hallucinerend en kun je jezelf erin verliezen. Of eigenlijk: erin verdwalen. De beelden tonen een eindeloos bos met naald- en loofbomen, takken, varens, omgevallen boomstammen, ochtenddauw en boomschors. Eindeloos en doelloos dwaalt de camera daar tussendoor. Maar dan blijkt van alles niet te kloppen aan het bewegende schilderij. Want niets in het bos beweegt. Geen mens, dier, blad of boomtop.
De projectie blijkt geen video maar een computerconstructie van negen panorama’s die elk uit veertien foto’s bestaan. De ogenschijnlijk eindeloos vloeiende beweging is in werkelijkheid niets anders dan een constructie van 126 gefotografeerde momentopnamen. De titel 2.5 Dimensions benadrukt het optisch bedrog van de driedimensionale suggestie.

Koelink maakte gebruik van QuickTimeVR (QTVR), een standaardsoftware voor de weergave van 3d-panorama’s. Voor de uitvoering kreeg Koelink hulp van het High Performance Computing Centre (HPC&V) van de Rijksuniversiteit Groningen.

Welke techniek de Deense kunstenaar Rune Peitersen in zijn geluidloze video’s precies toepaste, blijft gissen. Het onderwerp spreekt voor zich. Op drie monitoren toont hij telkens twee heftig bewegende personen van wie vooral de haast vloeibaar geworden spierbundels te herkennen zijn. In ‘Bed003’ gaan de (mannelijke) bilspierbundels alsmaar op en neer. In ‘Bed002’ is het stel kennelijk van positie verwisseld en. Na zoveel zich eindeloos herhalende copulatiebewegingen valt in Peitersens ‘Shower004’ eigenlijk alleen nog maar de achtergrond van badkamertegeltjes op.

CBK, De Oosterpoort, Wo t/m zo, 13 – 17 uur. T/m 29 mei. Toegang gratis. www.cbk.groningen.nl

© 2005 Universiteitskrant | laatste versie: 2 maart, 2005 | top

Ellen de Bruijne Projects 2005

 Posted by Rune on 03/05/2005
May 032005
 

January 2005:

Solo show at Ellen de Bruijne Projects

Photos

 Posted by Rune on 03/05/2005
May 032005
 

Flashlight001, c-print, 42x30cm, 2003

 

 

 

Videos

 Posted by Rune on 03/05/2005
May 032005
 

Flesh works – Videos

Digital videos, 2001-2005


Mast011

2,5 sec. loop,DVD ed. 5, 2002

Cam009
5. sec. loop, DVD ed. 5, 2002

Bed003
7. sec. loop, DVD ed. 5, 2004

Bed003
7. sec. loop, DVD ed. 5, 2004


Shower004
4. sec. loop, DVD ed. 5, 2004

Sorrow001
DVD ed. 5, 2004

Box003
DVD ed. 5, 2004

Times Square Gallery, NY 2004

 Posted by Rune on 03/09/2004
Sep 032004
 

October 8th – November 20th 2004 — ‘The International Exchange Exhibition’ — Times Square Gallery, New York

May 032004
 

Exhibition text

Play, Pause, Record, Stichting Outline, Amsterdam, 2004

Curated by Huib Haye van der Werf

The work of Rune Peitersen

The work of Rune Peitersen is focussed on controlling time and movement rather than present the fundamental relationship between moving and static images. Thematically his aim is to condense the moment of symbiosis between two people into a seemingly singular fragment in time; coming as close as possible to setting time and motion still – by compressing a process into one brief, repetitive moment – without immobilizing the subject. In Shower004 (2004) it is that moment which is depicted and repeated infinitely for the viewer: a melting of two figures whose actions have been reduced to an endless perpetual movement, or ‘movement-image’. In the case of his photographs, his approach is very much similar, only taken from the other end: by presenting a plurality of form and symbiosis on a two-dimensional plane, he insinuates motion to the viewer without revealing it. This investigation into the boundaries and control of motion is also evident in the manner in which Peitersen constructs his works. For example Bed002 (2004) started as thirty minutes of film which – by repeating and reducing motions from that footage through digital manipulation – has been condensed to five seconds of actual motion. However, concentrating on the formal aspects of his work alone would not do justice to the strong symbolic and thematic quality that dwells within the formal properties that initially fascinate. Works such as Flashlight001 (2003) reveal that the symbiosis which is presented so overtly in this – and other – work(s), becomes an aesthetic and emotional experience once the viewer has past the moment of probing through its explicit shell. What seems grotesque and disproportionate becomes natural and familiar, thereby confronting the audience with its own prudence and speculation. Ultimately Rune Peitersen is not out to shock his audience but rather to overwhelm them with proverbial portrayals of the symbiosis of physical and emotional beings. He does so in a fashion that pays heed to the aesthetics and process of his endeavour, without presenting his audience a profane image or an intangible illustration. One could almost say, ‘normal’.

Huib Haye van der Werf

Liste 04, 2004

 Posted by Rune on 03/05/2004
May 032004
 

Liste 04, The Young Art Fair, Basel 2004

May 042002
 

“…The Danish born [Rune] Peitersen has been experimenting with amorpheous fleshcoloured shapes since he was at the academy in The Hague. On early paintings he let reddish paint stream over the canvas as slowly coagulating blood. Later he created three-dimensional works with the aid of quickfoam, a dirty material which continues to slowly grow for hours, after being applied. Eventually he, as so many others, started manipulating images of body parts using a computer. In his works this results in images of weird lumps of flesh. Horrific chunks of flesh which reminds one of abortions or primitive lifeforms from a distant planet. The latter lead Peitersen to apply a very threatening to photos of everyday reality. With his digital brush he painted flesh-like shapes at the banks of an idyllic river, suggesting pending doom. In the gallery a similar work is displayed. A photo of an apparently harmless interior, a TV showing a shampoo commercial and next to bunches of grapes. Here the everyday image is cruelly disturbed by an enormous corporeal mass which seems to be growing out of a laundry basket. Fierce as these works may be, the real horrors are to be found in Peitersen’s darker photos and video’s of love-making couples. From the internet he collected some pornographic photos which he distorted to a degree that it’s hard to tell anymore that this was once two bodies. The human figures have literally melted together. In the videos these undefined bodily shapes even move to a pulsing rythm, resembling most of all a large beating organ. Although it turns your stomach inside out and the aesthetics are a lot less responsible, Peitersen’s fantasy images are far more intriguing than Regnerus’ poetry-album pictures. Where her pseudo-interesting pictorial findings suckles you into a comatose sleep, Peitersen’s bizarre retardations provide ample stimulation to look at reality with a widely awakened gaze.”

Arjan Reinders

“Een weeë glimlach en weke knieën bij zo veel lieflijkheid”, Arjan Reinders, Het Parool, July 8 – 2002
Translation by Rune Peitersen

 

Pause and play

(Recensie/Ingrid Commandeur/Tubelight 12/01.12.2000)

Bij het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vond onlangs een discussie plaats naar aanleiding van het nieuw verschenen boekje: ‘Nice’ over nieuw engagement in de hedendaagse kunst van de criticus/ publicist Rutger Pontzen. Pontzen hield die avond een pleidooi voor de nieuwe tendens in de beeldende kunst waarbij de kunstenaar de inhoud van het kunstwerk vooral zoekt in de participatie van de toeschouwer. Kunstenaars als Alicia Framis gaat het vooral om de vaak eenmalige ervaring die een installatie bij de toeschouwer weet op te roepen. Deze kunst spoort ons aan tot de bewustwording van het moment en we moeten ons niet afvragen op wat voor gronden deze werken nu wel of niet tot de beeldende kunst gerekend moeten worden, aldus Pontzen.

Pontzen kreeg veel kritiek op zijn verhaal, want is het uiteindelijke gevolg van zijn interpretatie niet dat het engagement van deze kunstenaars volledig wordt uitgehold? Een felle discussie volgde over de criteria waarop deze kunst beoordeeld kan worden. Moeten we kijken naar de handeling of gebeurtenis zelf, de context ervan of speelt de materialiteit van dit soort werken toch ook een duidelijke rol? Een aardige discussie om aan de praktijk te toetsen, bijvoorbeeld bij Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam.

Ellen de Bruijne koos voor haar huidige presentatie een aantal werken van de Amerikaanse kunstenaar Paul Ramírez Jonas en de Deense kunstenaar Rune Peitersen. Werk van Ramírez Jonas was eerder in Nederland te zien op de tentoonstelling Panorama 2000. Daar maakte Ramírez Jonas van de stad Utrecht een klok met de domtoren als middelpunt. Hij verdeelde de stad in 12 segmenten en liet daarin kloksgewijs, zowel op particuliere als openbare locaties, de cijfers 1 t/m 12 aanbrengen. Vanaf de domtoren kon het publiek de stad zo als een reusachtige wijzerplaat beschouwen waarin een rijdend draaiorgel dienst deed als uren-wijzer. Bij Ellen de Bruijne zijn nu de grote installatie ‘Pause and Play’ en enkele fotoreeksen van hem te zien. Deze werken worden getoond naast vier nieuwe werken van de jonge Deense kunstenaar en debutant Rune Peitersen. Peitersen studeerde aan de Koninklijke Academie in Den Haag en zit nu in zijn laatste jaar van het Frank Mohr Instituut in Groningen.

Het eerste dat opvalt bij het betreden van de intieme galerieruimte is de grote installatie ‘Pause and Play’ van Ramírez Jonas, die pontificaal in het midden van de ruimte staat opgesteld. De installatie bestaat uit verschillende instrumenten: bekkens, trommels, een tamboerijn, en wie goed kijkt ontdekt zelfs een klein scheidsrechtersfluitje. Ze vormen een bonte stoet, met elkaar verbonden door een ingenieus systeem van slangetjes, elektriciteitskabels en klemmen. Op de kop van de stoet staat een fiere vlag opgesteld en de staart ervan wordt gevormd door de motor van een stofzuiger. Het ding doet denken aan de machines van Jean Tinguely uit de vroege jaren zestig: alle onderdelen roepen associaties op met geluid en beweging. Voorlopig echter geeft het zijn geheim nog niet prijs en staat het er roerloos bij.

Tegenover deze installatie hangt een grote serie foto’s. Deze doen op het eerste gezicht nog het meest denken aan oude, wetenschappelijke meetinstrumenten waarbij het zonnestelsel werd bestudeerd: ijzeren armen met planeten erop, die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Dichterbij gekomen blijken de hemellichamen geen planeten maar vruchten te zijn: een appel, een ui, een mandarijn et cetera. Onder elke foto staat een tijdstip vermeld en het jaartal 2042. De galeriste vertelt me dat Ramírez Jonas dit jaartal uitkoos, omdat dat het jaar is waarop hij 75 wordt, de gemiddelde leeftijd waarop een Amerikaanse man sterft. Hij nam elke dag op een ander tijdstip een foto van zijn fruithemellichamen, registreerde daarmee het proces van verrotting, en schiep zo zijn 21-eeuwse versie van het Vanitas-stilleven. Het werk van Ramírez Jonas heeft altijd te maken met het thema vergankelijkheid en zijn voorliefde voor geschiedenis, techniek en wetenschappelijke uitvindingen. Dat blijkt eens te meer wanneer Ellen de Bruijne haar toelichting bij het werk moet onderbreken omdat de motor van ‘Pause and Play’ begint te ronken. Er wordt lucht door de leidingen geperst en dan geeft de provisorisch uitziende instrumentenmachine een prachtig concert van marsmuziek ten beste. Het vrolijke geschal vult de ruimte, bezoekers lachen en de huilende baby van Ellen de Bruijne is meteen doodstil. Net als bij zijn foto’s heeft Ramírez Jonas ook in deze installatie een duidelijke verwijzing gemaakt naar wetenschappelijke techniek en de beleving van tijd. De instrumentenmachine wordt aangestuurd door een computerprogramma die de tijdspanne tussen de verschillende opvoeringen vertaald in de snelheid waarmee de muziek wordt gespeeld. Het werk van Rune Peitersen sluit qua thematiek heel mooi aan op dat van Ramírez Jonas. Van hem is bijvoorbeeld een groot organisch wand- object te zien, gemaakt van doorzichtig plastic en tape. Met een viltstift zijn hierop atoomachtige structuren getekend. Ook hangen er drie nieuwe computerprints waarop twee vrijende mensen te zien zijn waarvan het lijkt alsof ze zijn gemuteerd tot één persoon: waar het ene lichaam ophoudt en het andere begint, is niet meer te zien. Uit deze werken spreekt een vergelijkbare fascinatie voor het lichamelijke enerzijds, versus wetenschap en technologie anderzijds, als uit dat van Ramírez Jonas. Een verschil is wel dat de kracht van het werk van Peitersen ligt in zijn subtiele materiaalgebruik terwijl dat bij Ramirez vooral gelegen is in het performatieve element van zijn werk: je wilt meteen weer een concert horen van de machine, maar wanneer deze weer wordt geactiveerd is niet duidelijk.

Is dit dan wat Rutger Pontzen bedoelt met zijn nieuwe, lichtzinnige, op de ervaring van de toeschouwer gerichte engagement? Het onverwachte concert van de machine veranderde de bezoekers ten slotte van houterige toeschouwers in geïnteresseerde kijkers. Dit kan gemakkelijk beschreven worden als een goedkope vorm van effectbejag die niets meer te maken heeft met beeldende kunst. Rest kunstenaars alleen nog de keuze van dezelfde strategieën gebruik te moeten maken als de vermaaksindustrie om een toeschouwer nog te kunnen boeien? Het antwoord daarop is: nee, maar ze zijn wel gerechtigd dit te doen. Het effect van de installatie ‘Play and Pause’ heeft bovendien een andere betekenis omdat deze ervaring de toeschouwer ontvankelijk maakt voor ande re aspecten, zowel formeel als inhoudelijk, van het werk.

Dat de discussie in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vastliep op gekonkelfoes over criteria zegt niet zoveel over de beeldende kunst zelf, als wel over het feit dat we nog steeds moeite hebben te accepteren dat algemene criteria niet meer bestaan en ook nooit meer terug zullen komen. Steeds opnieuw moeten die per kunstwerk of project worden vastgesteld. Het enige dat rest is de gevoeligheid die in de kunst besloten ligt, of dat nu de sociale context, de autonomie, het performatieve of de interactiviteit van een beeld betreft, te beoordelen op zijn merites en proberen aan te voelen of de kunstenaar erin slaagt hiermee iets los te maken bij de toeschouwer. De tentoonstelling bij Ellen de Bruijne slaagt daar duidelijk we in.

 

Almighty God! – no, no? They heard! – they suspected! – they KNEW! – they were making a mockery of my horror! – this I thought, and this I think. But anything was better than this agony! Anything was more tolerable than this derision! I could bear those hypocritical smiles no longer! I felt that I must scream or die! – and now – again – hark! louder! louder! louder! LOUDER!
– “Villains!” I shrieked, “dissemble no more! I admit the deed! – tear up the planks! – here, here! -it is the beating of his hideous heart!”
1 
The story by Edgar Allan Poe, from which the above quotation is taken, gives the impression that something is concealed behind visible reality, something that leads its own life, that changes continuously. The suspicion that something is beating behind the wall, something that is relentlessly growing, plays a key role in the work of Rune Peitersen. He suspects that a chair changes form behind his back and, as quick as lightning, again assumes the shape of a chair when he turns round and looks at it. He became so intrigued by this possibility that he wanted to capture the reality of the chair, which does not wish to be known. What would this ‘invisible’ substance look like? This is the question that constantly engrosses him and which permeates all his work.

This invisible reality fascinated him even as a child. What was playing and talking in the radio? He imagined a dreamworld, but when he started investigating and opened up the radio, he felt deceived. There was nothing to be seen that could produce the sound. Later, when he had grown up, but was still locked in the issue of how to capture the hidden reality, the physicist Heisenberg came to his aid. Heisenberg announced that the smallest natural entities behave according to our perception. If we imagine such an entity as a particle, it will behave as a particle. If we regard it as a wave, it will also appear and behave as a wave. Couldn’t this be the case with our everyday reality? This is the question that engages Rune. Don’t the chair and the radio simply assume the shape we expect them to have? Or, even worse, perhaps our look petrifies the secret process of reality, just like Medusa did with her victims? Perhaps, in looking, we disturb the creative process that is taking place within objects.

In Rune Peitersen’s work, the unusual materials and the peculiar forms could be a metaphor for the process of reality that is interrupted and petrified by our perception. The bizarre forms of his objects seem to refer to searching and groping for the invisible. It is as if they could continue their activities at any moment if we turned around and literally lose sight of them; perhaps the creativity of matter would break loose again.

Rune’s objects are made of polyurethane foam, synthetic resin, and plastic. He considers it important that they are shapeless and seem to be not completely under control. This suggests that matter is seeking its own form and is still involved in a process of growth. The things that issue from this seem to have come from another world.

These things also appear in the artist’s photographic work, but in a world that is undisturbed by human perception. They are at home here, because it is the neutral medium of photography that has perceived them, rather than the human eye. Thus, it is only the direct view that petrifies; reality can be captured in its own true nature in an indirect way.

In his photographs Rune moves around in the midst of matter’s own reality without disturbing it, clad in a tight green suit. This must be taken metaphorically in order to grasp his intentions. Metaphor is characterised by indirectness and ambiguity: something is such and is simultaneously not such. This also applies to the work of the artist. He finds himself in a fictive reality as if it were the most normal situation in the world.

The photographs are montages that have been created with the help of the PhotoShop computer program. And this reinforces the effect of alienation. The three-dimensional reality of Rune’s objects, which have something familiar to us (we can pick them up and hold them), make way for two-dimensionality in the photographs so that they distance themselves from us to a greater extent. What the artist wanted in his childhood years, the exploration of the secret world of matter, now appears to be successful. The photographs, although he moves around in a landscape that has originated in his imagination, represent  that other world that we cannot directly perceive. Landscapes in these composite photographs are actually close-ups of his objects and, to Rune, they appear to be ‘strangely familiar’.

The snapshot-type of photographs do not form a story, but refer to the journey the artist is making. Rune Peitersen resembles Odysseus meandering in foreign parts. The journey has no aim other than the exploration of a world that finally turns out to be his own creation. On this odyssey, Rune displays the open-mindedness of a child. He allows himself to be surprised, even startled, by what he sees, and wants us to share this with him. In this way, the artist wishes to take with him to our three-dimensional world that which he has discovered in the two-dimensional world of his photographic collages. In barrels he provides a good environment for the ‘animals’ in his photographs. Will he succeed in keeping them alive in this way, as inhabitants of our world? It seems to be worth the effort to investigate this.

A childlike openness also expresses itself in the composition of his work. This refers to the visual language of science fiction films and computer games. Rune’s archetypes are productions such as the television series Startrek and Hollywood films such as Event Horizon, in which the theme of travelling to uncharted areas is central. The protagonists find themselves in striking landscapes and come face to face with strange creatures. Rune’s uniform resembles to a certain extent that of the Startrek heroes, and the green colour refers to the comic strip hero The Incredible Hulk, who transforms into a green monster in times of crisis.

Just as in the old films, in which it is painfully obvious that the pictures have been assembled, Rune does not aim at technical perfection. In contrast, he works rather nonchalantly. It is the suggestion, the clues that function as agreements in children’s games, which are important. And he succeeds in drawing the viewer into this game; the viewer is never irritated by the imperfection of his work.

His choice of photomontage is fascinating and serves the goal that Rune Peitersen wishes to achieve. Photographs furnish a sensation of reality, since visible reality is always their basis. However, the montage displays the imaginative powers of the artist, who does not invest too much importance in this reality. Objectivity and subjectivity blend into an inextricable entity in the photomontage. The fictive world, which Rune wishes to disclose, thus obtains an irresistible reality value while the metaphorical character remains intact. Accordingly, the artist balances on the edge of the strange and the familiar. In his earlier, deformed porno-photographs, in which body forms seem to go their own way, the question arises as to what is exotic and what is familiar. In contrast to painting, the origins of the deformed image remain recognisable in the photomontage.

Occasionally, it seems as if Rune reanimates surrealism; this movement also wished to discover and visualise unknown reality. But whereas Rune wishes to make something manifest, the surrealists wished to generate manifestos. They had a distinct message, primarily based on the ideas of Freud. In addition, they were oriented against conventional culture. The work of Rune Peitersen has no connection with Freud’s theories and has no message, let alone a criticism of society. He wishes to play with his dreams and wishes in an ironic way. He invites the viewer to participate and allows him of her to depart if there is no special interest. Rune himself dances and dreams further.

If we wish to compare his work with that of other contemporary artists, it is best to think of Jeff Wall, Micha Klein, and Mariko Mori.These artists also make use of photomontage, just like Rune. Their objectives may be different, but what unites them is the creation of new worlds. Wall’s photographs look like they have been captured in a fraction of a second. They display fragments from everyday reality, which he combines into a coherent photographic reality. Rather than taking snapshots of an underlying world, Wall takes ‘film stills’ that present the drama of a feature film in the medium of photography. He works similar to a film director, building décors, deploying lighting technicians, and hiring walk-on actors, in order to realise his goal as thoroughly as possible. He subsequently devotes his efforts to the montage of this all. In this way, the suggestion of an everyday reality is created, which does not actually exist.

In comparison, Klein and Mori display the same kind of features in their work as Rune does. They too create science-fiction-like scenes. Klein’s images come from the world of House music. Aided by the computer, he generates psychedelic pictures with supernatural female beauties and cartoon figures. Rune Peitersen is also inspired by the world of the computer, but his work is not immersed in it. In contrast, Mori has such a perfect command of computer technology that the boundaries between a fabrication and reality are completely blurred. Composition in the work of Klein and Mori is a goal in itself whereas, to Rune, it remains a means to an end. Where there is a belief in technology in the work of the former artists, Rune leaves space for an ironic smile.

It would be helpful if the viewer saw the world as the artist sees it, but this is no precondition. Rune’s attitude of putting things into perspective also applies to the way the viewer regards his work. The artist does not wish to impose, let alone make demands. He has no message. Anyone interested is invited; Rune displays his world to him or her. In so doing, perhaps he inspires others to listen to the unheard beating in matter, so that they can turn around like lighting and thus capture the functioning of ‘true’ reality.

 

 

1. Edgar Allan Poe, ‘The tell-tale heart’, in: J. Symons (ed.), The life and works of Edgar Allan Poe, London 1978, pp. 243-248.

 

Lodewijk Gerretsen, “Draw and Quarter”, ed. Katalin Herzog, AMP, Groningen 2001

 

Almighty God! – no, no? They heard! – they suspected! – they KNEW! – they were making a mockery of my horror! – this I thought, and this I think. But anything was better than this agony! Anything was more tolerable than this derision! I could bear those hypocritical smiles no longer! I felt that I must scream or die! – and now – again – hark! louder! louder! louder! LOUDER!

 – “Villains!” I shrieked, “dissemble no more! I admit the deed! – tear up the planks! – here, here! -it is the beating of his hideous heart!”1 )

 

Het verhaal van Edgar Allan Poe, waaruit bovenste citaat stamt, doet vermoeden dat achter de zichtbare werkelijkheid iets schuil gaat, iets dat een eigen leven leidt, voortdurend verandert. Het vermoeden dat er iets klopt achter de muur, iets wat constant groeit, speelt in het werk Rune Peitersen een belangrijke rol. Zo vermoedt hij dat een stoel achter zijn rug van vorm verandert en zich bliksemsnel weer als stoel voordoet, wanneer hij zich omdraait en er naar kijkt. Hier raakt hij zo door geïntrigeerd dat hij de werkelijkheid van de stoel, die zich maar niet te kennen wil geven, zou willen betrappen. Hoe zou die ‘onzichtbare’ materie er uitzien? Dat is de vraag die hem voortdurend bezighoudt en door al zijn werk speelt.

Als kind al fascineerde hem die onzichtbare werkelijkheid. Wat speelt en praat er in de radio? Hij fantaseerde er een droomwereld bij,  maar als hij op onderzoek uitging en de radio open maakte, kwam hij bedrogen uit. Er was niets te zien wat het geluid veroorzaakte. Later, toen hij volwassen was, maar nog steeds met de vraag zat hoe die verborgen werkelijkheid te betrappen, kwam de natuurkundige Heisenberg hem te hulp. Heisenberg beweerde dat de kleinste elementen uit de natuur zich naar onze waarneming gedragen. Stellen we ons zo’n element voor als een deeltje, dan doet het zich ook voor als een deeltje. Als we denken dat het een golfje is, dan zal het zich ook zo tonen en gedragen. Zou dat met onze alledaagse werkelijkheid ook niet het geval kunnen zijn?  Dit is de vraag die Rune bezighoudt. Neemen de stoel en de radio niet een vorm aan die we verwachten? Sterker nog, zouden we met onze blik het geheimzinnige proces van de werkelijkheid niet verstenen, zoals het Medusa dat met haar slachtoffers deed? Verstoren we met onze blik niet het creatieve proces dat in de dingen gaande is?

In het werk van Rune Peitersen zouden de vreemdsoortige materialen en buitenissige vormen een metafoor kunnen zijn voor het door onze waarneming verstoorde en versteende proces van de werkelijkheid. De bizarre vormen van zijn objecten lijken te verwijzen naar het zoeken en tasten naar het onzichtbare. En het is alsof ze elk moment daarmee verder zouden kunnen gaan, als we ons omdraaien en ze letterlijk uit het oog verliezen. Wie weet zou de creativiteit van de materie dan weer losbarsten.

Runes objecten zijn gemaakt van purschuim, kunsthars en plastic. Hij vindt het belangrijk dat ze vormeloos zijn en niet helemaal onder controle lijken. Dit suggereert dat het materiaal zijn eigen vorm zoekt en nog in een groeiproces verwikkeld is. De dingen, die hieruit voortkomen, lijken uit een andere wereld afkomstig te zijn.

In het fotografisch werk van de kunstenaar verschijnen deze dingen ook, maar dan in die wereld, ongestoord door de menselijke waarneming. Daar zijn ze thuis, omdat niet de menselijke blik, maar het neutrale medium van de fotografie ze heeft waargenomen. Het is dus slechts de directe blik die versteent; op indirecte wijze is de werkelijkheid in haar eigen aard wel te vatten.

Dat Rune, gehuld in een strak groen pak, in zijn foto’s rondloopt temidden van de werkelijkheid der materie, zonder deze te verstoren, moet  metaforisch opgevat worden om zijn bedoeling te begrijpen. De metafoor kenmerkt zich door indirectheid of dubbelheid: iets is zò en het is tegelijkertijd niet zò. Dit is eveneens van toepassing op het werk an de kunstenaars. Hij bevindt zich in een fictieve werkelijkheid alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

De foto’s zijn montages die met het computerprogramma Fotoshop gemaakt zijn. En dit versterkt het effect van vreemdheid. De driedimensionale werkelijkheid van Runes objecten, die voor ons nog iets vertrouwds hebben (we kunnen ze beetpakken en vasthouden) maakt in de foto’s plaats voor een tweedimensionaliteit, waardoor ze verder van ons af komen te staan. Wat de kunstenaar als kind al gewild heeft, het verkennen van de geheimzinnige wereld van de materie, daar lijkt hij nu in geslaagd te zijn. In de foto’s loopt hij in een landschap rond dat weliswaar aan zijn verbeelding ontsproten is,  maar dat ook die geheel andere, voor ons niet direct waar te nemen wereld, verbeeldt. De landschappen in de fotomontages zijn namelijk close-ups van zijn objecten en voor Rune komen ze dan ook als ‘strangely familiair’ over.

Deze snapshot-achtige beelden vormen samen geen verhaal, maar verwijzen naar de reis die de kunstenaar maakt. Rune Peitersen is als Odysseus die in den vreemde dwaalt. De reis heeft geen ander doel heeft dan de verkenning van een wereld, die tenslotte zijn eigen creatie blijkt te zijn. Op die Odyssee vertoont Rune de onbevangenheid van een kind. Hij laat zich verrassen en verbazen door wat hij ziet en wil ons daarin laten delen. Zo wil de kunstenaar datgene wat hij in de tweedimensionale wereld van zijn fotocollages ontdekt naar onze driedimensionale werkelijkheid mee te nemen. In tonnen biedt hij een goede omgeving voor de ‘dieren’ uit zijn foto’s. Zou hij op deze wijze ze erin slagen ze in leven te houden, als bewoners van onze wereld? Dit lijkt de moeite waard  om te onderzoeken.

Een linderlijke onbevangenheid uit zich ook in de vormgeving van het werk. Die refereert aan de beeldtaal van de sciencefictionfilms en de computergames.

Voorbeelden voor Rune zijn de televisieserie Startrek en Hollywood films, zoals Event Horizon. Hierin is het thema van het reizen naar onbekende gebieden belangrijk. De hoofdpersonen bevinden zich in merkwaardige  landschappen en komen oog in oog met vreemde wezens te staan. Het uniform  van Rune heeft overeenkomsten met die van de helden van Startrek en de groene kleur verwijst naar de stripheld de Hulk, die in crisissituaties in een groen monster verandert.

Net als in oude films, waarin overduidelijk te zien is dat de beelden geconstrueerd zijn, streeft Rune niet naar technische perfectie. Hij gaat tamelijk nonchalant te werk. Het gaat hem om de suggestie, om clues die als afspraken in het spel van kinderen functioneren. En hij slaagt erin om de beschouwer te betrekken bij zijn spel; geen moment raak je geïrriteerd door de onvolmaaktheid van zijn werk.

Zijn keuze voor de fotomontage is fascinerend en dient het doel dat Rune Peitersen wil bereiken. Foto’s geven een sensatie van realiteit, daar hun ‘oorzaak’ altijd de zichtbare werkelijkheid is. In de montage toont zich de verbeeldingskracht van de kunstenaar die zich niets gelegen laat liggen aan die werkelijkheid. Objectiviteit en subjectiviteit versmelten in de fotomontage zo tot een onverbrekelijk geheel. De fictieve wereld, die Rune bloot wil leggen, krijgt hierdoor een onweerstaanbare realiteitswaarde terwijl het metaforische karakter ervan overeind blijft. De kunstenaar balanceert zo op de grens van het vreemde en het vertrouwde. Bij zijn vroegere, gedeformeerde pornofoto’s, waarop lichaamsvormen hun eigen weg lijken te gaan, komt de vraag op wat nu vreemd en wat vertrouwd is. Anders dan bij het schilderen blijft in de fotomontage de oorsprong van het gedeformeerde beeld herkenbaar.

Soms lijkt het erop dat Rune het surrealisme nieuw leven inblaast; ook deze stroming wilde de onbekende werkelijkheid ontdekken en zichtbaar maken. Maar waar Rune iets manifest wil maken, wilden de Surrealisten manifesten maken. Zij hadden een duidelijke boodschap, vooral gebaseerd op het gedachtegoed van Freud. En zij waren gericht tegen de burgerlijke cultuur.

Het werk van Rune Peitersen daarentegen, heeft niets te maken met de theorieën van Freud en heeft ook geen boodschap, laat staan een maatschappijkritische. Hij wil op ironische wijze spelen met zijn dromen en verlangens; nodigt de beschouwer uit tot meespelen en laat hem gaan als die niet wil. Rune zelf danst en droomt wel verder.

Als we zijn werk al met die van andere hedendaagse kunstenaars willen vergelijken, dan kan dat beter met dat van Jeff Wall,  Micha Klein en Mariko Mori. Net als Rune maken deze kunstenaars gebruik van de fotomontage. Hun doelstellingen zijn misschien verschillend, maar wat hen verbindt, is de creatie van nieuwe werelden. De foto’s van Wall zien eruit alsof ze in een fractie van een seconde zijn vastgelegd. Zij tonen fragmenten uit de alledaagse werkelijkheid die hij samenvoegt tot een coherente fotografische werkelijkheid. Wall maakt geen snapshots van een achterliggende wereld, maar ‘filmstills’ die in het medium van de fotografie het drama van een speelfilm presenteren. Hij gaat dan ook te werk als een filmregisseur; decors worden gebouwd, belichtingtechnici en figuranten worden ingeschakeld om zo goed mogelijk zijn doel te verwezenlijken. Vervolgens gaat hij over tot het monteren van het geheel. Zo ontstaat de suggestie van een alledaagse werkelijkheid die echter niet bestaat.

Klein en Mori daarentegen vertonen soortgelijke kenmerken in hun werk als Rune Ook zij creëren sciencefiction-achtige taferelen. Kleins beelden zijn afkomstig uit de wereld van de ‘House’ muziek. Hij maakt psychedelische beelden met onaardse vrouwelijke schonen en cartoonfiguren met behulp van de computer. Rune Peitersen laat zich eveneens inspireren door de computerwereld, maar zijn werk gaat er niet in op. Mori daarentegen beheerst de computertechniek zo perfect dat de grens tussen een constructie en realiteit geheel vervaagt. De vormgeving bij Klein en Mori is een doel op zich, terwijl bij Rune het als middel dienstbaar is. Waar bij de eerstgenoemde kunstenaars sprake is van een geloof in de techniek, laat Rune ruimte voor een knipoog.

Het zou mooi zijn als de beschouwer de wereld zag, zoals Rune deze ervaart, maar dit is voor hem geen vereiste. Zijn relativerende houding geldt ook voor wijze, waarop de beschouwer zijn werk ervaart. De kunstenaar wil niets opleggen, laat staan afdwingen. Hij heeft geen boodschap. Wie wil is uitgenodigd; aan hem laat Rune zijn wereld zien. Misschien inspireert hij zo anderen om te luisteren naar het nog ongehoorde geklop in de dingen om zich razendsnel om te draaien en zo het functioneren van de ware werkelijkheid te betrappen.

 

1. Edgar Allan Poe, ‘The tell-tale heart’, in: J. Symons (ed.), The life and works of Edgar Allan Poe, London 1978, pp. 243-248.

 

Lodewijk Gerretsen, “Draw and Quarter”, ed. Katalin Herzog, AMP, Groningen 2001