2001 | Rune Peitersen & Paul Ramirez Jonas | Ingrid Commandeur

Pause and play

(Recensie/Ingrid Commandeur/Tubelight 12/01.12.2000)

Bij het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vond onlangs een discussie plaats naar aanleiding van het nieuw verschenen boekje: ‘Nice’ over nieuw engagement in de hedendaagse kunst van de criticus/ publicist Rutger Pontzen. Pontzen hield die avond een pleidooi voor de nieuwe tendens in de beeldende kunst waarbij de kunstenaar de inhoud van het kunstwerk vooral zoekt in de participatie van de toeschouwer. Kunstenaars als Alicia Framis gaat het vooral om de vaak eenmalige ervaring die een installatie bij de toeschouwer weet op te roepen. Deze kunst spoort ons aan tot de bewustwording van het moment en we moeten ons niet afvragen op wat voor gronden deze werken nu wel of niet tot de beeldende kunst gerekend moeten worden, aldus Pontzen.

Pontzen kreeg veel kritiek op zijn verhaal, want is het uiteindelijke gevolg van zijn interpretatie niet dat het engagement van deze kunstenaars volledig wordt uitgehold? Een felle discussie volgde over de criteria waarop deze kunst beoordeeld kan worden. Moeten we kijken naar de handeling of gebeurtenis zelf, de context ervan of speelt de materialiteit van dit soort werken toch ook een duidelijke rol? Een aardige discussie om aan de praktijk te toetsen, bijvoorbeeld bij Ellen de Bruijne Projects in Amsterdam.

Ellen de Bruijne koos voor haar huidige presentatie een aantal werken van de Amerikaanse kunstenaar Paul Ramírez Jonas en de Deense kunstenaar Rune Peitersen. Werk van Ramírez Jonas was eerder in Nederland te zien op de tentoonstelling Panorama 2000. Daar maakte Ramírez Jonas van de stad Utrecht een klok met de domtoren als middelpunt. Hij verdeelde de stad in 12 segmenten en liet daarin kloksgewijs, zowel op particuliere als openbare locaties, de cijfers 1 t/m 12 aanbrengen. Vanaf de domtoren kon het publiek de stad zo als een reusachtige wijzerplaat beschouwen waarin een rijdend draaiorgel dienst deed als uren-wijzer. Bij Ellen de Bruijne zijn nu de grote installatie ‘Pause and Play’ en enkele fotoreeksen van hem te zien. Deze werken worden getoond naast vier nieuwe werken van de jonge Deense kunstenaar en debutant Rune Peitersen. Peitersen studeerde aan de Koninklijke Academie in Den Haag en zit nu in zijn laatste jaar van het Frank Mohr Instituut in Groningen.

Het eerste dat opvalt bij het betreden van de intieme galerieruimte is de grote installatie ‘Pause and Play’ van Ramírez Jonas, die pontificaal in het midden van de ruimte staat opgesteld. De installatie bestaat uit verschillende instrumenten: bekkens, trommels, een tamboerijn, en wie goed kijkt ontdekt zelfs een klein scheidsrechtersfluitje. Ze vormen een bonte stoet, met elkaar verbonden door een ingenieus systeem van slangetjes, elektriciteitskabels en klemmen. Op de kop van de stoet staat een fiere vlag opgesteld en de staart ervan wordt gevormd door de motor van een stofzuiger. Het ding doet denken aan de machines van Jean Tinguely uit de vroege jaren zestig: alle onderdelen roepen associaties op met geluid en beweging. Voorlopig echter geeft het zijn geheim nog niet prijs en staat het er roerloos bij.

Tegenover deze installatie hangt een grote serie foto’s. Deze doen op het eerste gezicht nog het meest denken aan oude, wetenschappelijke meetinstrumenten waarbij het zonnestelsel werd bestudeerd: ijzeren armen met planeten erop, die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen. Dichterbij gekomen blijken de hemellichamen geen planeten maar vruchten te zijn: een appel, een ui, een mandarijn et cetera. Onder elke foto staat een tijdstip vermeld en het jaartal 2042. De galeriste vertelt me dat Ramírez Jonas dit jaartal uitkoos, omdat dat het jaar is waarop hij 75 wordt, de gemiddelde leeftijd waarop een Amerikaanse man sterft. Hij nam elke dag op een ander tijdstip een foto van zijn fruithemellichamen, registreerde daarmee het proces van verrotting, en schiep zo zijn 21-eeuwse versie van het Vanitas-stilleven. Het werk van Ramírez Jonas heeft altijd te maken met het thema vergankelijkheid en zijn voorliefde voor geschiedenis, techniek en wetenschappelijke uitvindingen. Dat blijkt eens te meer wanneer Ellen de Bruijne haar toelichting bij het werk moet onderbreken omdat de motor van ‘Pause and Play’ begint te ronken. Er wordt lucht door de leidingen geperst en dan geeft de provisorisch uitziende instrumentenmachine een prachtig concert van marsmuziek ten beste. Het vrolijke geschal vult de ruimte, bezoekers lachen en de huilende baby van Ellen de Bruijne is meteen doodstil. Net als bij zijn foto’s heeft Ramírez Jonas ook in deze installatie een duidelijke verwijzing gemaakt naar wetenschappelijke techniek en de beleving van tijd. De instrumentenmachine wordt aangestuurd door een computerprogramma die de tijdspanne tussen de verschillende opvoeringen vertaald in de snelheid waarmee de muziek wordt gespeeld. Het werk van Rune Peitersen sluit qua thematiek heel mooi aan op dat van Ramírez Jonas. Van hem is bijvoorbeeld een groot organisch wand- object te zien, gemaakt van doorzichtig plastic en tape. Met een viltstift zijn hierop atoomachtige structuren getekend. Ook hangen er drie nieuwe computerprints waarop twee vrijende mensen te zien zijn waarvan het lijkt alsof ze zijn gemuteerd tot één persoon: waar het ene lichaam ophoudt en het andere begint, is niet meer te zien. Uit deze werken spreekt een vergelijkbare fascinatie voor het lichamelijke enerzijds, versus wetenschap en technologie anderzijds, als uit dat van Ramírez Jonas. Een verschil is wel dat de kracht van het werk van Peitersen ligt in zijn subtiele materiaalgebruik terwijl dat bij Ramirez vooral gelegen is in het performatieve element van zijn werk: je wilt meteen weer een concert horen van de machine, maar wanneer deze weer wordt geactiveerd is niet duidelijk.

Is dit dan wat Rutger Pontzen bedoelt met zijn nieuwe, lichtzinnige, op de ervaring van de toeschouwer gerichte engagement? Het onverwachte concert van de machine veranderde de bezoekers ten slotte van houterige toeschouwers in geïnteresseerde kijkers. Dit kan gemakkelijk beschreven worden als een goedkope vorm van effectbejag die niets meer te maken heeft met beeldende kunst. Rest kunstenaars alleen nog de keuze van dezelfde strategieën gebruik te moeten maken als de vermaaksindustrie om een toeschouwer nog te kunnen boeien? Het antwoord daarop is: nee, maar ze zijn wel gerechtigd dit te doen. Het effect van de installatie ‘Play and Pause’ heeft bovendien een andere betekenis omdat deze ervaring de toeschouwer ontvankelijk maakt voor ande re aspecten, zowel formeel als inhoudelijk, van het werk.

Dat de discussie in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam vastliep op gekonkelfoes over criteria zegt niet zoveel over de beeldende kunst zelf, als wel over het feit dat we nog steeds moeite hebben te accepteren dat algemene criteria niet meer bestaan en ook nooit meer terug zullen komen. Steeds opnieuw moeten die per kunstwerk of project worden vastgesteld. Het enige dat rest is de gevoeligheid die in de kunst besloten ligt, of dat nu de sociale context, de autonomie, het performatieve of de interactiviteit van een beeld betreft, te beoordelen op zijn merites en proberen aan te voelen of de kunstenaar erin slaagt hiermee iets los te maken bij de toeschouwer. De tentoonstelling bij Ellen de Bruijne slaagt daar duidelijk we in.